Blog Denise: 30 jaar geleden

1634
Foto: Denise Miltenburg.

 

Ik was veertien toen het gebeurde. Het gaf me een flinke opdonder. Niet alleen mij raakte het, maar ook mijn zusje, de mensen om ons heen, en mijn moeder vooral.

12 november 1986. De dag die altijd leeg bleef in mijn dagboek. De dag waarover ik niet durfde te schrijven. Tot een jaar of tien terug, toen ik met een cursus autobiografisch schrijven over een gebeurtenis uit het verleden moest vertellen, maar dan vanuit het perspectief van iemand anders. Ik beleefde de dag opnieuw, maar dan door de ogen van mijn moeder.

Het heeft al eens eerder online gestaan, maar het staat er niet meer. Omdat het afgelopen zaterdag exact 30 jaar geleden was dat het gebeurde, post ik het opnieuw. Ik kan het niet lezen zonder te moeten slikken of tranen in mijn ogen te krijgen. Ik denk jij ook niet…

Het begon zo:

O, daar komt ze aan. Wat een chaos, wat een chaos. Hoe moet ik dit in godsnaam vertellen? Ik kan het zelf nog niet eens geloven. Het kán niet, het is niet waar.

Een portier van een auto slaat dicht, en nog één, te hard, zoals Denise altijd doet. “Zachtjes,” zeg ik altijd, en toch doet ze het iedere keer weer. En met een pruilmondje zegt ze dan “sorry, mam, ik kon er niks aan doen.”

Ik had Ineke gevraagd de meiden van dansles te halen. Dat zou ik eigenlijk doen, maar in deze situatie kan ik niks meer, laat staan autorijden. Ik voel me verlamd, versteend. Ze zullen wel raar opgekeken hebben dat ik er niet stond. Hopelijk zijn ze niet geschrokken. Ineke zou alleen maar zeggen dat er ‘iets heel ergs’ gebeurd was.

Voetstappen. Ik doe de voordeur open. Denise kijkt beteuterd.

“Waarom heb jij ons niet opgehaald mam? Wat is er?”

Ik kijk haar aan en vraag me af hoe ik dit aan haar moet vertellen. Ze is pas 14. We hebben met zijn drietjes al genoeg meegemaakt de laatste jaren. De scheiding. De brand. Mijn broer die zo ziek is. En de katten die deze zomer vergiftigd zijn door iemand uit het dorp. Poes lag ineens dood en stijf in de keuken. Andere poes schreeuwde z’n doodsschreeuw de nacht erna. We vonden hem op de drempel tussen de kamer en de keuken. Z’n lichaam schokte nog na. Het was vreselijk om te zien. De meiden waren er kapot van.

En toen kwam ook nog het bericht dat Wham uit elkaar ging. Dat was de druppel. Denise was ontroostbaar. Ik legde haar uit dat het uit elkaar gaan van Wham niet in de orde van wereldrampen paste, maar dat zag ik verkeerd. Anderhalve dag was ze niet aanspreekbaar. Dikke tranen drupten op haar Wham-plakboek. Een gebroken tienerhart.

En nu dit weer.

Denise, mijn oudste dochter, kijkt me aan. Ze bestudeert mijn ogen, vluchtig. Maar ik zie de bezorgdheid in haar blik. De paniek. Ze moet zien dat ik gehuild heb. Eigenlijk huil ik nog steeds. Misschien blijf ik wel mijn hele leven huilen. Geluk is me niet gegund, lijkt het wel. Heb ik eindelijk een nieuwe vriend, een echt lieve man, die me de ellende van de scheiding heeft doen vergeten, met wie ik ’s avonds gezellig wijntjes kan drinken en dan…

Ze kijkt me vragend aan: “Is ome John dood?

God, John, ze denkt natuurlijk dat John dood is. Die is al maanden ziek. Ach, mijn jonge broertje, was hij er maar om me te steunen. Maar dat kan niet, want hij ligt met doorligwonden aan zijn kont zijn dagen af te tellen in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis.

Ik zucht. Hoe vertel je een kind dat de man van wie ze in korte tijd ook was gaan houden er niet meer is? De man die zo’n beetje bij ons inwoonde. Bij wie we ons veilig voelden. Die ons aan het lachen maakte. Die zorgde dat het eten voor de meiden op tafel stond als ze naar wedstrijdzwemmen moesten en ik nog hard aan het werk was om uit de bijstand te blijven?

Ik slik en leg mijn koude handen op Denises schouders: “Adri is dood,” zeg ik zachtjes.

Het komt er beroerd uit. Als ik het zo hardop zeg, klinkt het helemaal zo raar.

Dit kan niet. Dit is niet waar.

Adri is dood. Het echoot door mijn hoofd.

Denise fronst haar 14-jarige gezichtje. Haar tas met dansschoentjes valt op de grond.

“Néé!” roept ze heel hard. Zo hard dat ik er van schrik.

Denise, mijn lieve, stille Denise, schreeuwt nu de boel bijeen.

Neeeeee!” roept ze nog een keer heel hard en wringt zich los uit mijn armen.

“Laat me los. Dit is niet waar!” roept ze. Ze slaat met haar vuisten tegen de muur in de gang en zakt dan door haar knieën. Op haar hurken volgt een hartverscheurend gesnik. Ik kan het niet aan. Ik pak haar beet, maar ze slaat in het rond.

“Nee! Dit kan niet! Dit is niet waar! Wat is er gebeurd?!” Haar huilen gaat door merg en been. “Weet Nat het al?” brult ze wanhopig. Ik pak haar op en ditmaal spurt ze niet tegen. Ze grijpt me vast en begraaft haar hoofd tussen mijn borsten. Ze snikt mijn decolleté vol en ik versta niet meer wat ze zegt. Met een grote natte plek van de tranen loods ik haar de kamer in. “Ja, Nat weet het al. Ze was hier toen Pauline het kwam vertellen.”

“Wat is er dan gebeurd?” vraagt Denise nogmaals. “Heeft hij een ongeluk gehad?”

“Hij heeft een hartaanval gekregen,” zeg ik met een brok in mijn keel.

“Een hartaanval?”

“Reanimeren lukte niet meer.”

Wat heeft ie gegeten dan?” vraagt ze.

Ik frons mijn voorhoofd. Wat hij gegeten heeft? Alsof dat er iets toe doet.

“Daar ligt het niet aan, schat.”

“Nou waar dán aan?”

Volgens Denise weet je het maar nooit. Een gezonde man van 42, mam’s nieuwe liefde, haar tweede vader, die kan toch niet zomaar een hartaanval krijgen? Dan moest hij vast iets verkeerds gegeten hebben, redeneert ze.

“Erwtensoep,” zeg ik.

Ik zie hoe Denise moet kokhalzen.

“Ik hoef nooit meer erwtensoep,” zegt ze.

“Dat hoeft ook niet schat.”

Zijn dood hakte erin. Ik kon me niet voorstellen dat ik er ooit nog eens níet aan zou denken. Het was veel erger dan de scheiding van mijn ouders, een paar jaar daarvoor. Iemand kon zomaar dood gaan!

Toch denk ik er nu niet meer elke dag aan. Ook niet elke week. Zelfs niet elke maand. Een paar keer per jaar nog, dat wel. En het blijft gevoelig, misschien wel door de kwetsbare leeftijd die ik toen had. Of omdat ik al zo onzeker was, over alles.

Ik kan me maar moeilijk voorstellen dat ik zelf inmiddels ouder ben dan hij toen was. Pas 42 was hij. En toch zag hij er in mijn ogen al oud uit. Misschien door die baard, net als Sinterklaas, die dit jaar exact 30 jaar nadat het gebeurd was aankwam. Ook hij was geliefd bij veel mensen. En heel bekend in het dorp waar we woonden. Er is later zelfs een parkje naar hem vernoemd.

park
Parkje in Nigtevecht. Foto: Denise Miltenburg.

Ook vind ik het pijnlijk en raar te beseffen dat mijn moeder pas achter in de dertig was toen ze al een scheiding én dit had meegemaakt.

Iedereen heeft zo zijn bagage en nare ervaringen. Ik heb er ook genoeg. Ook nu nog. Maar dit was er één die ik toch nog een keer wilde delen.

Daarnaast is er gelukkig ook genoeg léuks om over te schrijven. Over reizen en mooie plekken bijvoorbeeld. Daar vlucht ik graag in. En jij?

O ja, en mocht je het je afvragen: ik lust weer erwtensoep. Maar ik denk er altijd nog even aan.

 

 

DELEN
Vorig artikelWow: Gigi Hadid overweegt carrièreswitch!
Volgend artikelZien: plus size model Ashley Graham krijgt haar eigen barbiepop