Je bent hier: Home > Thuis & wonen > Lisanne (29): ‘Elke nacht schrok ik wakker: ik heb geen moeder meer, ik heb geen moeder meer’

Lisanne (29): ‘Elke nacht schrok ik wakker: ik heb geen moeder meer, ik heb geen moeder meer’

Thuis & wonen
Lisanne (29): ‘Elke nacht schrok ik wakker: ik heb geen moeder meer, ik heb geen moeder meer’

Hoe is het om geen moeder meer te hebben? Precies 2 jaar na haar moeders overlijden maakt journalist Lisanne van Sadelhoff (29) de balans op. “Het verdriet haalt soms het slechtste in me naar boven, en soms het beste.”

“Hoiiiiii. Dit is de voicemail van Paola van Sadelhoff. Ik ben er even niet. Spreek iets in! Doeiiiii!” Natuurlijk is mama er niet. Ik weet heus wel dat dode mensen de telefoon niet op kunnen nemen. Maar tóch spreek ik wat in. Want ik sta op de stoep voor mijn huis, te janken, tranen met tuiten, emmers vol, inclusief hikgeluiden, omdat mijn vriend na 6 jaar onze relatie heeft verbroken. Dit is het moment waarop een dochter haar moeder nodig heeft. Dit is het moment waarop ik ineens – noodgedwongen – besef hoe eenzaam het voelt om géén moeder meer te hebben. “Mam. Met mij. Je mag nu niet dood zijn. Hoor je me?”

Zondagskind

Ik had altijd gedacht dat mijn moeder 98 zou worden. Minstens. Iemand die volgens de Schijf van Vijf leeft, genoeg groente en fruit eet en voldoende sport, lacht en door de woonkamer danst, sterft niet op haar fucking 56ste. Bovendien was ík toen pas 27. Mijn leven moest nog beginnen – en daar paste geen dode moeder bij. Afscheid nemen? Dat zouden we later wel doen, als ik rimpeltjes rond mijn ogen en mondhoeken had.

‘Hoe kun je het leven nog leven zonder vader of moeder? Hoe kun je nog lachen, werken, functioneren? Ik kon me niet vóórstellen hoe het moest zijn om een van je dierbaarste naasten te verliezen’

Ik ben altijd een zondagskind geweest. Ik deed het prima op school, genoot van mijn studentenleven, had een leuke relatie, een heerlijke vriendengroep en een fantastische jeugd. Het was altijd gezellig bij ons thuis. De band met mijn ouders was ijzersterk. Net als die met mijn broertje. We waren een perfect kwartetje. En mijn ouders samen een topduo, al 35 jaar. Natuurlijk: ze kenden downs. Maar meer ups. Ze kenden ruzies. Maar meer liefde en lol. Mijn leven was nagenoeg perfect en ik denk dat sommige mensen mij wel een beetje benijdden. Als ik iemand tegenkwam die zijn vader of moeder was verloren, werd ik altijd overspoeld door medelijden. Maar ook door nieuwsgierigheid. Hoe kun je het leven nog leven zonder vader of moeder? Hoe kun je nog lachen, werken, functioneren? Ik kon me niet vóórstellen hoe het moest zijn om een van je dierbaarste naasten te verliezen. Het leek me het allerergste wat je kon overkomen.

‘Hoe hard mijn moeder ook knokte, hoe krampachtig ze zich ook aan het leven vasthield: de dood houd je niet tegen als je uitgezaaide darmkanker hebt’

Maar ik had geen idee. Werkelijk geen idee. Tot die ene dag in september. Het keerpunt. Het was de dag waarop alles anders werd, de dag waarop ik mijn onbezonnenheid verloor, inclusief het besef dat niemand voor eeuwig leeft. Hoe hard mijn moeder ook knokte, hoe krampachtig ze zich ook aan het leven vasthield: de dood houd je niet tegen als je uitgezaaide darmkanker hebt. Op 31 mei 2017, 10 maanden na de diagnose in september, overleed mama. Het was de laatste dag waarop ik in haar ogen kon kijken, haar stem kon horen, haar handen nog warm aanvoelden. God, wat ben ik die handen gaan missen. Kom maar lieverd, even een kus, aai over je wang, mama is hier.

‘Elke nacht schrok ik wakker: ik heb geen moeder meer, ik heb geen moeder meer’

De eerste week na mama’s overlijden heb ik wel 60 keer tegen mijn vriendinnen en mijn vriend gezegd: “Ik heb mama vorige week nog gezien.” Omdat ik besefte dat ik dat snel daarna niet meer kon zeggen. Als je je ouder verliest, besef je hoeveel pijn tijd kan doen. Elke nacht schrok ik wakker: ik heb geen moeder meer, ik heb geen moeder meer. Alsof iemand het me keer op keer weer voor het eerst vertelde. Het verdriet was verstikkend. ’s Ochtends werd ik wakker met de hoop dat de dag snel voorbij zou zijn, want dan zou het verdriet vast minder zijn. En ’s nachts wenste ik vurig dat de nacht snel voorbijging, omdat ik me zo ellendig voelde. De volgende dag begon het hele riedeltje weer van voren af aan. Waar ik ook niet aan kon ontkomen: het dodemoederstempel dat klaarblijkelijk op mijn voorhoofd was gezet. Overal waar ik kwam en bekenden trof, viel het stil. Werd het ongemakkelijk. Mensen keken naar me. Mensen vroegen schoorvoetend hoe het met me ging. En dan wilde ik huilen. Of ze zeiden niets. Dan wilde ik ook huilen.

Andermans geluk

Geen moeder meer hebben kon – en kan nog steeds – het slechtste in me naar boven halen. Niets is pijnlijker dan andermans geluk. Toen ik na een kraambezoek bij een collega terugwandelde naar het station, stortte ik hyperventilerend tegen een lantaarnpaal in elkaar omdat ik had gezien hoe liefdevol en vanzelfsprekend de moeder van mijn collega daar in huis babykleertjes opvouwde. Ik was uit elkaar geknapt van jaloezie. Als ik met een vriendin ben, zie dat ze wordt gebeld en er  ‘mama’ op het scherm verschijnt, wil ik haar de ogen uitkrabben. Waarom jij wel en ik niet? En ik weet nog hoe ik langs Amsterdam Centraal fietste en een moeder en dochter zag. Ik wíst dat ze moeder en dochter waren. De moeder stak namelijk haar neus in de oksel van haar dochter. En daarna schudde ze haar hoofd. Zo van: nee lieverd, je stinkt niet, geen zorgen. Alléén aan je moeder durf je dat te vragen.

‘Ik mis iemand die ik kan bellen om het bellen. Ik mis iemand die ik een foto van mijn nieuwe armbandje kan sturen. En ik mis iemand die me zekerheid kan geven’

Aan wie moet ik dat vragen? Die vertrouwdheid, veiligheid en geborgenheid, ik snak er soms zo naar. En dan doel ik niet op de lunches, weekendjes weg of shopmiddagen. Nee. Ik mis iemand aan wie ik kan vragen of ik dikker ben geworden. Ik mis iemand met wie ik mijn gekste angsten kan delen. Ik mis iemand die ik kan bellen om het bellen. Ik mis iemand die ik een foto van mijn nieuwe armbandje kan sturen. En ik mis iemand die me zekerheid kan geven. Want sinds mama er niet meer is, ben ik onzekerder geworden. Over mijn uiterlijk, over de keuzes die ik maak, over mijn karakter. Als ik op feestjes kom, voelt het soms alsof iemand met een kaasschaaf mijn opperhuid heeft weggeschaafd. Opmerkingen komen harder binnen, ik laat me makkelijker uit het veld slaan, ben gevoeliger. Het was alsof mijn moeder mijn harnas was – en dat harnas ben ik verloren.

Het hele verhaal lees je in Flair 19. Deze editie ligt t/m 14 mei in de winkel. Wil je ‘m liever laten bezorgen? Bestellen kan hier

Beeld: iStock

Shoppen is altijd een goed idee