Je bent hier: Home > Thuis > Denise blogt: in gesprek met de taxichauffeur

Denise blogt: in gesprek met de taxichauffeur

Thuis
Denise blogt: in gesprek met de taxichauffeur

Het is al laat als we op Schiphol landen. Door een vertraging van een half uur haal ik wel mijn trein maar niet mijn tram. Op Hollands Spoor moet ik een taxi nemen. Daar baal ik van, want dat vind ik zonde van het geld.

De taxi die vooraan staat is een extra grote.

‘Jij taxi?’

‘Ja, alstublieft, maar is deze niet duurder?’

‘Nee hoor.’ De chauffeur pakt mijn trolley en tilt hem in de achterbak.

Ik kan voorin plaatsnemen.

De meter gaat aan, ik zeg mijn adres en we vertrekken.

 

‘Jij op vakantie geweest?’

‘Een weekendje weg.’

‘Waar?’

‘Nice, Frankrijk.’

‘Ah…’

‘Lekker weer?’

‘Eh… Nee. We hadden een beetje pech, het regende gisteren en vandaag. Maar toch was het heel mooi.’ (Die zee, zo turkoois! )

 

‘En jij gaat in de zomer ook nog op vakantie?’ vraagt hij.

‘Nee, waarschijnlijk niet in de zomer, maar in de meivakantie al een weekje, dat was goedkoper.’

‘O ja?’

‘Ja, ietsje. Met de kinderen ga ik.’

‘Kinderen?’

‘Ja, ik heb twee kinderen.’

‘Waar zijn kinderen nu?’

‘Bij hun vader.’

‘Hij ging niet mee?’

‘Nee.’

(Dat lijkt me niet zo’n goed idee, maar dat zei ik er maar niet achteraan.)

Ineens valt het kwartje.

‘Jij gescheiden?’

(Ik wil eigenlijk ‘nee’ zeggen, want ik ben nooit getrouwd geweest, maar dat is nou eenmaal de manier waarop mensen het vragen. De vraag of ik getrouwd ben heb ik in mijn leven hooguit drie keer gekregen, maar ‘Ben je gescheiden’ of ‘O, je bent gescheiden’ tientallen keren.)

‘We zijn uit elkaar.’

‘Dat is moeilijk.’

Ik beaam dat. Ook al ben ik zelf weggegaan.

 

‘Jij mist hem?’

Ik verstond hem niet goed. Zei hij nou hem?

‘Eh, hem niet, maar de kinderen wel.’

(Wat trouwens ook niet helemaal waar is: heel soms mis ik hem zoals hij vroeger soms kon zijn.)

 

‘Ik krijg heel veel mensen in taxi hier. De mannen zeggen het ligt aan de vrouwen, de vrouwen geven de schuld aan de mannen. Ik heel veel verhalen hoor.’

‘Dat kan ik me voorstellen. Mensen vertellen vast heel veel.’

‘Heel veel. Met kinderen, zonder kinderen. Allemaal verhalen.’

 

‘Maar de kinderen een paar dagen niet zien blijft altijd moeilijk.’

De chauffeur zucht.

Net als ik wil vragen of hij kinderen heeft zegt hij:

‘Ik mis mijn kinderen ook.’

Zou hij ook uit elkaar zijn?

‘Mijn vrouw en kinderen wonen daar. Ik zeg steeds jij komen, maar zij ‘Nee, want…’, ik zeg weer jij komen, zij weer ‘Nee, nee, want…’, maar nu zit ik hier en nu heb ik niks.’

Count your blessings denk ik, maar ik zeg het maar niet. Ik laat hem even, want het is ook niet leuk.

 

‘Ik heb geen vrouw, ik heb geen kinderen… Zo voelt. Zij niet hier. Dat is moeilijk.’

‘Dat is heel naar.’

‘Ik wil mijn kinderen zien. Ik hou van mijn kinderen. Sommige mannen doen niks met kinderen, maar ik hóu van mijn kinderen.’

Weer zucht hij.

‘Zij daar, ik hier. Nu heb ik niks.’

Ik wil vragen waar, maar hij praat door. Hij moet duidelijk zelf zijn hart luchten.

 

‘Ik wil gewoon man, vrouw, kinderen, rust. Nu word ik oud en heb ik geen rust. Nu ik alleen.’

Ik kijk opzij. Hij heeft best een aardig gezicht. Niet onknap ook. Onze blikken vangen elkaar. Snel kijk ik weg, voordat hij dingen gaat denken.

 

‘Een nieuwe vrouw is hetzelfde. En alle goede vrouwen hebben al een man. Die hebben gezin. Die zijn gelukkig.’

Dat hoeft helemaal niet, denk ik. Dat lijkt soms maar zo.

‘Alleen zijn er nog de wilde. Dat is ook niet goed. Een wilde vrouw is niet goed.’

‘…’

‘Die lopen overal. Dat is niet goed.’

Ik weet even niet wat ik moet zeggen.

 

‘Mensen moeten héél goed nadenken voordat zij kinderen maken, héél goed nadenken’, zegt hij.

Dat ben ik met hem eens.

‘Ik heb niet goed nagedacht’, meent hij.

Tja, en ook al doe je dat wel, soms weet je gewoon niet hoe het loopt of hoe iemand echt is.

 

We komen dichter bij mijn huis. Ik wil hem iets opvrolijken.

‘En ga jij deze zomer op vakantie?’

‘Ik hoop.’

Ik twijfel of ik zal vragen of hij naar Turkije of Marokko gaat, maar hoewel ik het meestal wel aardig kan inschatten, weet ik nu niet zeker waar hij vandaan komt. Het zou ook een Tunesiër kunnen zijn. Ik had het eerder in het gesprek al willen vragen.

‘Egypte’, zegt hij.

Ik overweeg nog even te vertellen dat ik ook met de kinderen in Egypte  ben geweest, maar dat vind ik niet zo gepast nu.

‘Cairo?’ vraag ik.

‘Alexandrië.’

 

We zijn er.

Ik geef hem een kleine fooi.

‘Succes’, zeg ik terwijl ik sterkte bedoel.

Als ik de sleutel in het slot heb gestoken rijdt hij weg.

Ik knip het licht aan en stap mijn leven als moeder weer in. Ik zie de kinderen de dag erna weer. Hij niet. Dat lijkt me moeilijk.

Ondertussen rijdt hij mensen van en naar het station. Hoort flarden van levens, terwijl zijn eigen leven doorgaat, of stilstaat, het is maar hoe je het bekijkt.

 

‘Nu heb ik niks.’

Die zin blijft nog even hangen.

 

Lees ook: