Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Real Life > Fieke (33) werd vanaf haar zevende jarenlang misbruikt door een naaste: ‘Ik dacht dat het hoorde bij straf krijgen’

Fieke (33) werd vanaf haar zevende jarenlang misbruikt door een naaste: ‘Ik dacht dat het hoorde bij straf krijgen’

Fieke (33) werd vanaf haar zevende jarenlang misbruikt door een naaste: ‘Ik dacht dat het hoorde bij straf krijgen’

Als kind werd Fieke Opdam (33) jarenlang misbruikt. En dat heeft tot op de dag van vandaag invloed op de keuzes die ze maakt. “Ik raak die rugzak niet kwijt, maar door de rechtszaak kan ik nu eindelijk vrij gaan leven.”

“Op het podium kan ik keiharde grappen maken. Als cabaretier probeer ik taboes te doorbreken met heftige humor. Zo speel ik in een scène over het jeugdzorgbeleid mijn eigen kinderpsycholoog.  ‘Goh Fieke, dit vind ik wel heel heftig, hoor,’ onderbrak ze me toen ik haar als kind eindelijk durfde te vertellen wat er speelde. ‘Even theepauze,’ voegde ze eraan toe. Om vervolgens niet meer terug te komen. Op het podium antwoord ik dan: ‘O meid, dat begrijp ik, hoor. Dan lig ik daar met mijn benen wijd en zeg ik ook: hé man, heftig dit. Kom, even een theepauze!’

Voor mij is het maken van zo’n scène helend. Cabaret is een vak, geen therapie. Maar het voelt goed om met een soort afstand grapjes te maken over mijn eigen situatie. En om die enigszins met mensen te delen. Ik zeg enigszins, want ik vertel nooit het hele verhaal. Ik dacht dat ik daarmee een goede middenweg had gevonden. Dat het mijn eigen keuze was om niet te benoemen wie de dader is. Het is immers zo privé. Totdat Karin Bloemen te gast was in mijn podcast verKRACHTe VROUWEN. Haar woorden kwamen binnen als een schok. ‘Het is belangrijk om het héle verhaal te vertellen,’ zei ze. ‘Pas dan ben je écht vrij.’ Waar ben ik mee bezig, dacht ik. Ik bescherm de dader na al die jaren gewoon nog steeds!

Als je vanaf je zevende geregeld verkracht wordt, heeft dat impact op de rest van je leven. Niet dat ik er continu mee bezig ben – ik heb mijn leven goed op de rit, voel me ook gelukkig – maar je draagt het altijd met je mee. Als een rugzak. Dat heeft, al dan niet bewust, invloed op de keuzes die ik maak. Als kind stond ik voortdurend in de overlevingsstand. Misbruik splitst je ziel in stukjes. Er is de ervaring – het moment zelf – en de herinnering aan die ervaring. Aan die herinnering twijfelde ik altijd. Zelfs kort daarna. Ik wist dat het gebeurd was, maar verzon excuses.

‘Misbruik splitst je ziel. Er is het moment zelf en de herinnering eraan. Aan die laatste twijfelde ik altijd’

Ik was een vrij druk en aanwezig kind, ik zat vol vragen en kletste honderduit. Omdat de dader – iemand in mijn naaste omgeving, ik kan niet zeggen wie precies want ik ben bezig met een rechtszaak – vaak dingen zei als: ‘Jij trekt al de hele dag mijn aandacht met je gepiep,’ of me eerst sloeg voordat hij me verkrachtte, dacht ik lange tijd dat het misbruik onderdeel was van een straf. Een straf voor wie ik was en hoe ik me gedroeg.

De verkrachting deed ongelooflijk pijn, maar ik werd niet boos op hem. Ik vond het vooral heel erg dat het me maar niet lukte om een rustiger, minder aandachttrekkend kind te zijn. Als kind weet je niet dat wat er gebeurt niet oké is. Je voelt het wel, maar kunt het niet plaatsen. Door het voor mezelf  ‘goed te praten’ kon ik er enigszins mee omgaan. En door een masker op te zetten. Ik was altijd de vrolijke Fieke, in de weer met verkleedpartijen en toneelstukjes. Dat creatieve zit in mij. Ik ben expressief.

Maar die karaktertrek kwam ook goed van pas. Niemand kon aan me zien wat ik doormaakte. Ondertussen schaamde ik me en twijfelde ik aan mezelf. Waarom lukte het me maar niet een normaal kind te zijn? Mensen vonden dat ik te aanwezig was. In de klas stelde ik altijd vragen over onderwerpen die volgens de docent niets met de stof te maken hadden. Als er een miniplaybackshow was, bereidde ik vijf optredens voor in plaats van één.

Ik was in alles té, hoorde ik vaak. Ik schaamde me ervoor dat het me maar niet lukte in te schatten wat normale mensen denken. De verkrachtingen ervaarde ik dan ook als een reactie op mijn gedrag. Ik was zo aanwezig dat hij niet anders kon dan zich aan mij ergeren en daagde hem uit, zonder te weten hoe ik dat dan precies deed. Ik deed enorm mijn best om dat  ‘normale’  kind te worden, maar dat is me nooit gelukt.”

Mindfuck

“Mijn eerste herinnering aan het misbruik was toen ik heel jong was. Ik zat in groep vier, bij meester Jan. Ik herinner me dat ik voor het eerst een penis in mijn hand voelde en dat ik daarvan in paniek raakte en ik snapte er niets van. Het misbruik werd frequenter toen ik naar groep zes ging en de dingen die ik moest doen werden steeds pijnlijker. In mijn jeugd kende ik ook liefde, dat was denk ik de mindfuck. Want aan de buiten­kant had ik de beste jeugd die je je maar kon voorstellen: ik had vriendinnen, een eigen paard en kwebbelde heel wat af. Misschien was ik daarom ook altijd zo verdrietig als ik weer misbruikt werd. Het voelde alsof ik had gefaald.

Ik had in die tijd een heel goede band met Christien, mijn overbuurvrouw. Ik kwam vaak bij haar over de vloer, voelde me bij haar op mijn gemak. Ook met Christien sprak ik niet over het misbruik, maar haar huis was een veilige plek waar ik mezelf kon zijn. Toen ik dertien jaar was, pleegde ze zelfmoord. Voor mij kwam dat als een totale verrassing. Tijdens haar begrafenis realiseerde ik me: ik móét iets doen.

Ik kan dit masker niet langer ophouden. Als ik niets doe, eindig ik straks net als Christien. Haar dood maakte me intens verdrietig, het voelde alsof ze me had afgewezen. Nu weet ik dat een kind in de overlevingsstand qua gedrag niet te vergelijken is met een kind dat veilig opgroeit. Ik kon mijn verdriet niet uiten, daar was geen ruimte voor. Ik ben de eerste jaren na haar dood bevroren geweest, voelde zo veel door elkaar dat ik uiteindelijk niets voelde. Toen ik ouder werd, besefte ik dat ze me niet had willen afwijzen, maar gewoon echt niet anders kon. Pas toen kon ik om haar rouwen.

Twee jaar na haar dood verzamelde ik al mijn moed en sprak met mijn mentor. Het duurde nog zo lang omdat je, als je zo jong bent, niet een-twee-drie weet waar je hulp moet zoeken. Daarbij was ik er ten diepste van overtuigd dat ik fout zat en schaamde ik me. Ik sprak met mijn mentor, zij sprak met de schoolarts en het balletje ging rollen. Ik werd op kamertraining geplaatst (begeleid zelfstandig wonen, red.). Dat was een heftige tijd, want ik ging naar de middelbare school en kreeg eigenlijk te weinig hulp. Ik was veel te jong om dat traject in te gaan, de anderen waren allemaal boven de achttien. ‘Je hebt nog steeds geen snuffelstage,’ zei de leraar maatschappijleer kort daarna tegen me.

Ik zat in de vierde klas van de middelbare school en als ik niets regelde, zat ik een hele week op school in m’n eentje huiswerk te maken. Die avond keek ik met een vriendin naar Sister act. ‘Ik weet het!’ zei ik. ‘Ik ga een week lang zusters in het klooster volgen.’ Ik schreef een brief naar een stuk of vijf kloosters en bij eentje mocht ik stage lopen. Die stage triggerde iets. Ik ging me verdiepen in het katholieke geloof en stapje voor stapje ging het steeds meer voor me leven.  Hoe meer ik leerde, hoe gelukkiger ik werd. In de kerk vond ik antwoorden.

Lees ook:
Lisa (42): ‘Het is waar. Ik ben verliefd op de man van mijn zus’

Uiteindelijk ging ik elk weekend naar het klooster en op mijn achttiende besloot ik in te treden. Ik voelde me écht geroepen om zuster te worden. Nu denk ik: ik was op zoek naar een veilige plek. Een onderkomen. Ook in het klooster kon ik een masker opzetten. Sterker nog, dat werd van me verwacht. Was ik verdrietig, dan zette ik een glimlach op. Was ik boos, dan bleef ik zo vriendelijk als ik kon. Dat hoorde zo, want wij waren getuigenissen van Christus. Als we te veel zouden huilen, zou dat slechte ‘reclame’ voor Hem zijn.

Ik had een zuster met wie ik goed kon praten, ook over het misbruik. Uiteindelijk moest ik het echter wel met God oplossen. Door alles wat er was gebeurd, zat ik in een soort rouwproces. De priester zei: ‘Zuster, je moet meer bidden, God lost dit voor je op.’ Maar God leek steeds verder weg. Achteraf bezien heb ik denk ik ook voor het klooster gekozen omdat ik dan het fysieke uit de weg kon gaan. In het klooster is seks natuurlijk uit den boze.”

Het hele interview lees je in Flair 47-2021. Deze ligt t/m 30 november in de (online) schappen. Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je dan gratis in voor onze nieuwsbrief.

tekst Nathalie de Graaf | fotografie Mariël Kolmschot