Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Marieke: ‘Ik ben pas 27 jaar, maar al in de overgang’

Marieke: ‘Ik ben pas 27 jaar, maar al in de overgang’

Marieke: ‘Ik ben pas 27 jaar, maar al in de overgang’

Marieke (27) kon het niet geloven toen de gynaecoloog haar vertelde dat ze in de overgang was. Haar wens om spontaan zwanger te raken, gaat waarschijnlijk nooit in vervulling.

“In de overgang? Ik? Ik kon het niet geloven. Maar de gynaecoloog was heel stellig die decemberochtend. Op een normale, spontane manier zwanger worden was bijna onmogelijk. Ook daarover bestond geen enkele twijfel. Het was een enorm harde klap in m’n gezicht. Ik vond het moeilijk om te bevatten. Ik ben nog maar 27. Je denkt pas aan de overgang als je vijftig of zestig bent. Bovendien: ik had nergens last van, geen opvliegers of wat dan ook.

Dat er iets met mij aan de hand was, dat wist ik wel. Eigenlijk al heel lang. Zo werd ik pas op mijn zeventiende voor het eerst ongesteld. In totaal heb ik twee keer gemenstrueerd, daarna nooit meer. Ik ben naar de dokter gegaan en die schreef me de pil voor. Verder zei hij dat ik maar moest terugkomen als ik een man had. Dat vond ik wel vreemd, maar ik stond er verder niet zo bij stil. Ik was allang blij met de pil, daardoor werd ik tenminste elke maand ongesteld. Dat het eigenlijk kunstmatig was, wist ik wel, maar ik negeerde het. Ik wilde het verdringen.”

Waarom ik?

“Vier jaar geleden leerde ik via een vriendin Frank kennen. We spraken op een zondag met elkaar af en sinds die dag zijn we samen. Het voelde meteen goed tussen ons. Na een jaar, toen het onderwerp kinderen steeds vaker ter sprake kwam, heb ik hem verteld over mijn menstruatieproblemen. Ook al wist ik nog steeds niet wat er precies met me aan de hand was, ik wist wel al dat het lastig zou worden om op een normale manier zwanger te raken. Frank zei: ‘Ik ben er voor jou. We nemen de stap samen en dan zien we wel hoe het gaat. Vorig jaar zijn we getrouwd. Ik ben toen met de pil gestopt om te kijken of ik een normale bloeding zou krijgen, maar die bleef weg. Ik ben nu op een leeftijd dat iedereen om me heen kinderen krijgt: de buren, vriendinnen, mijn schoonzussen, zes collega’s op m’n werk… Constant word ik met baby’s geconfronteerd. Ik ga op kraamvisite, neem de baby in mijn armen en zeg hoe mooi hij of zij is. En dat meen ik ook. Maar eenmaal thuis komt het besef: ik zal waarschijnlijk nooit zomaar zwanger worden. Dan voel ik me leeg vanbinnen en vraag ik me af waarom mij dit moet overkomen. Ik huil ook veel. Gelukkig heb ik steun aan Frank. Hij is een schat van een man. We praten vaak en veel. Hij luistert en ik kan altijd mijn hart bij hem luchten. Onze band is alleen maar sterker geworden.

Een half jaar geleden zat ik weer bij de dokter, voor hetzelfde probleem. Hij zocht alle papieren bij elkaar en stuurde me door naar een gynaecoloog. De dag van mijn afspraak kan ik me nog goed herinneren. Ik was erg zenuwachtig. Toen de gynaecoloog ons vertelde dat ik in de overgang ben, drong het totaal niet tot me door. Ik had ook helemaal geen vragen. Ze prikte bloed, want doordat mijn eileiders niet functioneren, kan ik ook andere gezondheidsklachten krijgen. Zo is de kans op bijvoorbeeld hart- en vaatziekten groter. Tijdens het onderzoek zochten Frank en ik elkaars blik. Ik probeerde aan hem te zien hoe zijn reactie was op datgene wat we net hadden gehoord, maar ik werd er niet echt wijs uit. Een uur later stonden we weer buiten.”

Lees ook
Seksuoloog over masturberen tijdens je menstruatie: ‘Neemt de pijn weg’

Hoop vervlogen

“Frank en ik hebben allebei een grote kinderwens. Als jong meisje droomde ik van een gezin met vier kinderen. Omdat ik zelf twee broers heb, wilde ik het liefst twee jongens en twee meisjes. Zo’n huis vol kinderen lijkt me nog steeds geweldig, maar mijn hoop daarop is helemaal vervlogen. Na de afspraak met de gynaecoloog zijn Frank en ik de stad in gegaan. Hij had die dag speciaal vrij genomen zodat we bij elkaar konden zijn. We hebben wat gewinkeld, maar niets gekocht. Het was meer dat we iets te doen wilden hebben. Nadat we ergens wat hadden gedronken, zijn we naar mijn ouders gegaan. Ik heb alles verteld en dat luchtte al op. ’s Avonds kwam een vriendin langs en toen kon ik me echt laten gaan. Ik heb gehuild als een klein kind. Alles kwam eruit. De kans dat ik kinderen zou krijgen, was en is heel klein. Op dat moment kon ik daar niet mee omgaan. Ik ben die avond vroeg naar bed gegaan en heb heel vast geslapen.
Als ik aan iemand vertel dat ik vervroegd in de overgang ben, is de reactie vaak: ‘Oh, wat erg’. En dan is het klaar. Drie minuten later wordt er alweer over het weer gepraat. Anderen snappen het gewoon niet. Er is sowieso nog heel weinig bekend over mijn ziekte, Prematuur Ovarieel Falen. Daarom wil ik iedereen er op deze manier ook over vertellen. Sommige mensen zeggen wel eens: ‘Maar die vrouw kon ook niet zwanger worden en nu heeft ze een kind!’. De kans dat mij dat overkomt, is echt heel klein. Die ligt ergens tussen de twee en de zeven procent. Het is dus praktisch onmogelijk. Alleen door eiceldonatie en adoptie kunnen we ouders worden. Frank en ik zijn nu over eiceldonatie aan het nadenken. Maar daar zitten veel praktische problemen aan vast. We moeten bijvoorbeeld zelf een donor vinden. Die vrouw moet geen kinderen willen, want door de ingreep zou er bij haar inwendig iets kunnen beschadigen. Daarnaast is het ook niet iets wat je tussen neus en lippen door vraagt als iemand bij je op de koffie is. We hebben wel iemand op het oog, maar willen er toch nog wat langer en beter over nadenken. Ik ben bijvoorbeeld best stevig en straks krijg ik een heel klein kind. En wat als er ruzie ontstaat en de ‘echte’ moeder het kind, ondanks alle afspraken, opeist? Adoptie zie ik als een laatste mogelijkheid.”

‘Iedereen zegt: ‘Onvruchtbaar? Oh, wat erg’. Maar drie minuten later gaat het alweer over het weer’

Kwaad en machteloos

“De weken na de afspraak met de gynaecoloog heb ik op internet naar informatie gezocht. Ik weet nu meer over mijn ziekte en praat ook veel met lotgenoten. Toch blijft er veel onduidelijk. Over de oorzaak bijvoorbeeld is niets zinnigs te zeggen. Het zou erfelijk kunnen zijn, maar in mijn geval is dat niet zo. Ik heb geen houvast, er is geen reden. Als ik die zou hebben, was het misschien makkelijker om te verwerken. Ik heb wel eens tegen Frank geroepen dat hij maar een andere vrouw moet zoeken, eentje met wie hij wel kinderen kan krijgen. Op zo’n moment ben ik zo kwaad en voel ik me zo machteloos. Ik weet dat ik er niets aan kan doen dat ik waarschijnlijk geen kinderen kan krijgen, maar het voelt toch als falen.
Frank is enig kind en zijn ouders zullen nooit opa en oma worden. Ook voor mijn ouders is het niet leuk, al heeft mijn broer wel kinderen. Ze laten geen van allen ooit iets van teleurstelling merken, het zijn goede mensen, maar dit soort gedachten spoken regelmatig door mijn hoofd. Ik geef mezelf de schuld, ook al kan ik er niets aan doen. De confrontatie met zwangere vrouwen en jonge moeders valt me zwaar. Op mijn werk wordt heel vaak over kinderen gepraat. Eén keer werd het me te veel en ben ik stilletjes weggelopen. Het hoeft toch niet altijd over kinderen te gaan, denk ik dan bij mezelf. Ik probeer mijn ziekte en de consequenties daarvan een plekje te geven, maar elke keer word ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. Als een collega haar kindje komt laten zien bijvoorbeeld. Of zoals vorige maand, toen de vrouw van mijn broer is bevallen. Toen ik het kindje had gezien, ben ik beneden in tranen uitgebarsten. Mijn broer kwam me achterna en pakte me vast. Dat voelde heel goed. Het was fijn dat hij ook aan mijn verdriet dacht. Ik voel liefde voor mijn nichtje en ben heel blij voor mijn broer en schoonzus. Ik gun het ze, maar de gedachte dat het mij niet gegund is, doet pijn.”

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je dan gratis in voor onze nieuwsbrief.

Tekst: Suzanne Bremmers | Beeld: Getty