Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Anneke beviel met 28 weken zwangerschap terwijl ze op reis was: ‘Mijn man kon er pas 4 dagen later zijn’

Anneke beviel met 28 weken zwangerschap terwijl ze op reis was: ‘Mijn man kon er pas 4 dagen later zijn’

Anneke beviel met 28 weken zwangerschap terwijl ze op reis was: ‘Mijn man kon er pas 4 dagen later zijn’

‘Tot over twee weken. We skypen.’ Zo nam ik afscheid van mijn vriend Rick. Ik ging op zakenreis, twee weken naar China. Ik was 28 weken zwanger en het was de laatste reis voordat ik me zou gaan richten op de komst van ons eerste kind. Ik had een topzwangerschap en er was geen enkele reden om te vermoeden dat daar verandering in zou komen. Laat staan dat ik met een baby zou terugkomen…

Met mijn toenmalige zwager Ronnie – ik had met hem en mijn zusje een onderneming in modeaccessoires – verbleef ik in Hangzhou, op twee uur rijden van Shanghai. De reis verliep prima, tot twee dagen voor vertrek. Ik kreeg last van steken in mijn lies en voelde me misselijk. Zorgen maakte ik me niet en na wat rust knapte ik op. De volgende dag stapte ik uit een taxi en zag ik een nat plekje op de achterbank. Ik was verbaasd: had ik in mijn broek geplast? Niet lang daarna had ik weer steken en kwam de misselijkheid terug. In het hotel zag ik dat niet alleen mijn onderbroek van vandaag, maar ook die van gisteren nat was. Bovendien zat er een groen propje in. Voor het eerst dacht ik: dit is niet goed.

Ik belde Rick, die zich flink zorgen begon te maken. Mijn arts in Nederland zei dat ik daar naar het ziekenhuis moest gaan om me te laten onderzoeken. Dat deed ik en ik kwam terecht in een groot en bijzonder hectisch ziekenhuis. Heel anders dan we in Nederland gewend zijn. Een van de verpleegkundigen zei dat mijn vliezen niet gebroken waren en terwijl ik opgelucht ademhaalde, kregen zij en een collega een discussie. Die collega onderzocht me en zei dat mijn vliezen wél gebroken waren. Ik schrok me kapot, de paniek sloeg flink toe. 
Op de een of andere manier kon ik daar niet geholpen worden, dus werd ik met de ambulance naar een ander ziekenhuis gebracht. Toen de sirenes aangingen, voelde ik mijn baby reageren op het geluid en werd ik rustiger. Ik dacht: ik ga naar een goed ziekenhuis en mijn baby schopt, het komt goed.

Bij het volgende ziekenhuis kreeg ik weeënremmers en kwam ik terecht op een zaal met tien vrouwen in verschillende stadia van bevallen. Een verpleegkundige legde van alles uit, maar ik begreep er niks van. Gelukkig kwam onze tolk. Toen begreep ik dat met de weeënremmers de bevalling een paar dagen kon worden uitgesteld, maar dat ik niet in dit ziekenhuis kon blijven. Er waren hier geen couveuses. Een geschikt ziekenhuis in de buurt was er niet, ik zou naar Shanghai moeten. Via een vriend kreeg ik een adres van een goed ziekenhuis. Maar het was inmiddels avond en een ambulance was niet te krijgen. Ronnie belde onze hotelmanager voor hulp. Hij bleek iemand te kennen met een eigen ambulancedienst en beloofde zowel een ambulance als onze bagage te sturen. Ronnie had inmiddels Rick gebeld, die meteen een ticket ging regelen. Ik vertrouwde erop dat hij op tijd zou zijn voor de bevalling.

Naam al bedacht

In de ambulance voelde ik me goed en maakte ik zelfs grapjes. ‘Dit is echt goed filmmateriaal,’ zei ik tegen Ronnie. Voor de bevalling was ik niet echt bang. Ik had me nog niet voorbereid, had één zwangerschapsyoga-boek gelezen, maar ik kon niet veel anders doen dan het maar over me heen laten komen. Om een uur ’s nachts kwamen we in Shanghai aan. Onze komst was niet aangekondigd. Later begreep ik dat dat ongebruikelijk is. Het is zo druk in de Chinese ziekenhuizen dat elke bevalling min of meer op afspraak gaat en vaak wordt opgewekt. Het personeel leek niet zo goed te weten wat ze met ons aan moesten. Maar ik kon een VIP-kamer krijgen, een verademing na het tienpersoonszaaltje eerder. ’s Nachts werd ik ontzettend misselijk. De volgende ochtend voelde ik me niet beter en toen ook nog bleek dat mijn kamer geboekt was en ik toch weer naar een zaal moest, voelde dat als een klap in mijn gezicht.

Ik kwam opnieuw tussen vrouwen terecht die weeën hadden. Hele families zaten rond de bedden, sommige vrouwen schreeuwden het uit. Het verplegend personeel was alleen maar aan het rennen. Ik lag naast het raam, waar een weeïge etenslucht doorheen kwam. Daar werd ik nog misselijker van. Ik vroeg om een spuugbakje, maar dat bleek er niet te zijn. Even later kreeg ik een vuilniszak aangereikt, wat ik best vreemd vond. Maar later begreep ik dat het gebruikelijk is dat je alles zelf meeneemt naar het ziekenhuis. Van spuugbakjes tot handdoeken en van maandverband tot eten. Ook is het normaal dat je familie voor je zorgt. Wassen, dat doet de verpleging niet.’

‘Ondertussen was ik de lokale attractie. Iedereen keek naar mij, nieuwsgierig en giechelig. Meestal vriendelijk, maar dat tijdens een inwendig onderzoek het gordijn open werd getrokken en een man mee stond te kijken, ging me wel een beetje ver. Maar zolang het goed ging met de baby, kon ik alles aan. Ik lag aan de ctg en hoorde zijn hartslag. Maar toen die ineens omhoog ging, belde ik de verpleging. Het bleek niet goed te gaan met mijn baby. De angst sloeg me om het hart. Inmiddels was ook gebleken dat Rick op z’n vroegst over vier dagen een visum kon krijgen. Ik wilde niet bevallen zonder hem, maar ik had al anderhalve centimeter ontsluiting en de baby moest eruit. Laat staan dat ik nog vier dagen kon wachten. Uiteindelijk besloten we dat Ronnie bij de bevalling zou zijn. In China is het ongebruikelijk dat er een man bij is, maar we eisten dit – hij was de enige familie in de buurt – en gelukkig kregen we toestemming. Het was bizar, maar ik had geen keus. In de verloskamer kreeg ik wee-opwekkers. Ik voelde me weer misselijk en viel steeds weg tijdens de weeën. Ik herinnerde me één zin uit mijn yogaboek: adem in, accepteer de pijn en adem uit. Het was mijn enige houvast en het hielp zowaar! Na drie uur was hij er: Levi. Gelukkig hadden Rick en ik al een naam bedacht…’

Woog maar 1.780 gram

‘Helemaal gelukkig was ik, ook al mocht ik Levi niet 
aanraken omdat ik misselijk was. Ze waren bang dat hij door mij een infectie zou oplopen. Heel even werd hij bij me gelegd, daarna namen ze hem mee. Ronnie belde Rick, die met de hele familie in spanning zat te wachten. Ik kreeg Rick aan de telefoon, we moesten allebei huilen. Levi was klein, woog maar 1.780 gram 
en moest in de couveuse. Ik was ongerust over wat ons allemaal te wachten stond, en tegelijkertijd opgelucht dat mijn kind er was.
Via een vriend kwam er een nieuwe tolk. Toen begrepen we dat Levi zuurstof en sondevoeding kreeg en dat hij acht weken in de couveuse moest. En ook dat wij hem dan niet mochten zien. Ik kon mijn oren niet geloven en raakte overstuur. Ik had mijn kind nog geen minuut gezien! Eén keer mocht ik bij wijze van uitzondering naar de afdeling. Maar Levi’s couveuse stond helemaal achteraan en ik kon hem vanachter een glaswand nauwelijks zien. Toen brak ik, ik was zó verdrietig.’

‘Na drie dagen verliet ik het ziekenhuis. Het was moeilijk om Levi achter te laten, maar ik wilde heel graag naar het hotel. De volgende dag kwamen Rick, mijn vader en mijn zusje. Toen ik ze door de draaideur zag komen, vloog ik op Rick af. Weer moesten we allebei huilen. Dezelfde middag gingen we naar het ziekenhuis, met een lijstje vragen die door iemand in het hotel in het Chinees waren vertaald. Een ervan was de vraag of Rick Levi mocht zien. Na enig praten lukte het tot onze verbazing om toestemming te krijgen. Vijf minuten mochten we bij zijn couveuse staan. Het was heerlijk om hem te zien. Hij was heel beweeglijk, dat deed me goed om te zien. Ik had sowieso vertrouwen in de behandeling die hij kreeg. Dat we niet elke dag bij hem mochten, was natuurlijk verschrikkelijk, maar er zat weinig anders op dan ons erbij neer te leggen. Dit waren de regels in elk ziekenhuis, begrepen we. We wilden ook geen stennis schoppen, omdat ons kind afhankelijk was van de mensen hier. Die konden we beter te vriend houden.

Geluk gehad

Er moest veel worden geregeld: papieren, een paspoort, woonruimte. Onze familie ging weg, wij namen onze intrek in een appartement. Dat was vreemd: we waren ouders, maar hadden geen kind om voor te zorgen. Gelukkig konden we er samen goed over praten. Maar ik was ook verdrietig en maakte me zorgen: wat als Levi zich niet aan ons kon hechten? Om het te verwerken schreef ik alles van me af, dat hielp. Elke middag mochten we via een loket informatie over Levi vragen. In de tweede week kregen we goed nieuws: Levi hoefde maar vier of vijf weken te blijven! De week erna begrepen we dat het nog maar ‘a few days’ zou duren. We waren dolgelukkig. Een paar dagen daarna leverden we bij het loket kleertjes in. Even later ging de deur open en kregen we onze zoon. Ik was helemaal overrompeld. ‘Mag ik hem vasthouden?’ vroeg ik zelfs.

Het was geweldig om Levi bij ons te hebben. De eerste dag hebben we hem alleen maar geknuffeld en bewonderd. We wilden graag naar huis, maar de papieren waren nog niet rond. Het was ook raar om nu ineens een baby te hebben. Ik had geen kraamhulp, niks, en was best onzeker. Maar ik leerde ook hoe sterk moedergevoel is, en dat we er samen best uitkwamen. Dat gaf vertrouwen. Na een week konden we eindelijk naar huis. Op Schiphol werden we opgewacht door onze familie en beste vrienden. Mijn moeder vloog meteen op mij af, allebei waren we in tranen. Natuurlijk wilde iedereen Levi zien. We gingen met z’n allen naar huis, waar we beschuit met muisjes aten. Het was geweldig om eindelijk terug te zijn. Levi is nu een stoere vent van anderhalf jaar. Soms kijk ik naar hem en bedenk ik hoe klein hij was. Dan besef ik hoeveel geluk we hebben gehad. We hebben veel geleerd door wat we hebben meegemaakt, we zijn sterker geworden. Met z’n drieën kunnen we alles aan.’