Je bent hier: Home > Relaties & opgebiecht > Jaaike (32) verloor haar been op missie in Afghanistan: ‘Een gewone jongen van 16 blies zichzelf op’

Jaaike (32) verloor haar been op missie in Afghanistan: ‘Een gewone jongen van 16 blies zichzelf op’

Relaties & opgebiecht
Jaaike (32) verloor haar been op missie in Afghanistan: ‘Een gewone jongen van 16 blies zichzelf op’

Jaaike (32) was de eerste Nederlandse vrouwelijke militair die gewond raakte op missie. Amper twintig was ze, toen ze haar been verloor in Afghanistan. ‘Maar ik ga echt niet zeuren over mijn verwonding, ik ben er tenminste nog.’

Doodnormaal

“Samen met mijn vriend Roelof heb ik twee zoons, Dinant (4) en Tycho (2). De oudste brengt na het douchen vaak vrolijk mijn prothese naar me toe: ‘Hier is je been, mama.’ Soms vergeet ik dat ik een been mis. Het is gewoon doodnormaal. Wat níét went, is dat ik nu burger ben. Het leger was mijn leven. Niets mooier dan dat ultieme geluksmoment als je na een training van 24 uur te horen krijgt: ‘Het is klaar, ga maar douchen.’ Dan had ik een etmaal lang afgezien en mijn grenzen opgezocht. Ze proberen je op oefening te slopen, bijvoorbeeld door je met iemand op een brancard én jerrycans én een autoband vijf kilometer te laten lopen. Ben je niet op tijd binnen, dan moet je het gewoon opnieuw doen. Natuurlijk dacht ik in het begin van de training even: shit, ga ik dit volhouden? Maar als het uiteindelijk lukt… Dat gevoel is onbetaalbaar.”

Geen poppenmeisje

“Ik heb vier broers en heb me thuis voor mijn gevoel altijd moeten bewijzen. Als we op vakantie gingen mountainbiken, wilde ik absoluut niet als laatste finishen. Als ik voetbalde met mijn broers moest ik een stapje extra zetten om de bal te bemachtigen, ze gingen hem echt niet naar hun zusje passen. Ik was sportief en hield van actie, ik was geen poppenmeisje. Toen ik veertien was, keek ik vol ongeloof met mijn vader naar de brandende Twin Towers op televisie; de aanslag op het World Trade Center in 2001 maakte diepe indruk op me. Ik zag die brandweermannen in New York en dacht: dat wil ik ook, mensenlevens redden. Toen ik zestien was, ging ik praten met de brandweer, maar ze vonden me te jong: ik moest eerst wat levenservaring opdoen.”

Bij het leger

“Dus besloot ik het oriëntatiejaar voor het leger te doen, dan ga je naar school en loop je tegelijkertijd stage bij defensie. Het was een warm bad en voelde zo goed, dat ik nooit meer aan het brandweerkorps heb gedacht. Ik kwam in het leger in een groep met allemaal mannen, dat voelde vertrouwd, het was net als thuis met mijn broers. Ik vond het helemaal geweldig om op avontuur te gaan met z’n allen, op oefening in het bos en mezelf bewijzen, dat was echt wat voor mij. Na mijn opleiding kwam ik in het 42ste pantserinfanteriebataljon terecht als gewondenverzorger. Ik vond dat medische leuk en wilde graag gewondenverzorger worden, omdat je dan meegaat met de infanterie en vooraan staat bij actie.”

‘Ik kwam in het leger in een groep met allemaal mannen, het was net als thuis met mijn broers’

“In 2006 hoorden we dat we het jaar daarop op uitzending mochten naar Afghanistan. Dat vond ik fantastisch, want daar hadden we al die tijd voor getraind. Aan het gevaar dacht ik niet. Ik wilde mensen helpen. Wel wist ik natuurlijk dat het heftig kon zijn daar en dat er iets zou kunnen gebeuren, maar tegelijkertijd kun je ook gewond raken op de snelweg. Wel schoot door me heen: ik ga liever dood dan dat ik terugkom zonder been. Ik dacht dat mijn leven geen zin meer zou hebben als ik gehandicapt raakte, omdat ik dan geen militair meer zou kunnen zijn, terwijl het leger mijn leven is.”

Veilig gevoel geven

“Toen we net aankwamen in Afghanistan, was ik superscherp. Je bent continu aan het opletten, het is niet de hei waar je bent. Het was vooral onze taak om patrouilles te lopen, te voet of met voertuigen. Zo konden we signaleren of er vijandelijke bewegingen waren. Door ons te laten zien, zou de taliban minder snel het gebied in gaan. We konden zo de gemeenschap een veilig gevoel geven en de lokale politie ondersteunen. Er is veel armoede en narigheid in Afghanistan. Gehandicapte kinderen worden verbannen en soms zelfs verbrand.”

Blijdschap

“We ontmoetten een kindje met downsyndroom dat ’s morgens voor zonsopgang met de schapen werd weggestuurd en pas terug mocht komen als het donker werd. De hele dag liep dat joch met één flesje water in de bergen, de kudde te hoeden. Hij mocht niet gezien worden omdat zijn familie zich voor hem schaamde. Sowieso moeten kinderen daar al heel jong werken. Jij zou nu moeten voetballen of op school moeten zijn, dacht ik verdrietig als ik spulletjes aan ze uitdeelde. De blijdschap van zo’n kind met een simpel knuffeltje of een potlood, dat raakte me.”

Kans op een beter leven

“Als verzorger maakte ik bizarre dingen mee, die medisch gezien heel interessant waren. Zoals een jongetje van twaalf dat door zijn hoofd was geschoten, zijn hele schedel lag open. Zijn vader en oom brachten hem in een pick-uptruck naar ons kamp. Veel Afghanen kwamen naar ons voor medische hulp, omdat die bij ons gratis was. Er kwamen ook kleine kinderen met enorme brandwonden. Heel heftig, maar als ik ze kon helpen en genezen, was dat gaaf. Als je op missie gaat, weet je niet of je het kunt. Militairen leren schieten op de schietbaan, maar kunnen ze op missie ook iemand doodschieten als het moet? Ik had nog nooit in het echt een jongetje gezien wiens schedel open lag.”

‘Ik voelde mijn meerwaarde, dat ik iets betekende voor anderen’

“Ik merkte dat de adrenaline door me heen schoot en dat ik – ondanks de stress – kon handelen. Het was een kick om te merken dat ik het inderdaad kon. Als vrouw was ik bovendien de enige die Afghaanse vrouwen kon fouilleren als we die staande hielden. Ik voelde mijn meerwaarde, dat ik iets betekende voor anderen. Voetballen met kinderen die even geen kogels om hun oren krijgen dankzij jouw aanwezigheid, dat is al het gevaar waard. Ik hoopte dat ze door ons een kans hadden op een beter leven.”

Bewijzen

“Tom, mijn luitenant, had in het begin zoiets van: ‘Wat moet ik met een vrouw in mijn peloton?’ Ik begreep dat heel goed, het komt ook zelden voor: een vrouw bij de infanterie. Mijn luitenant vroeg zich waarschijnlijk af of ik wel snel en sterk genoeg was: kon ik een gewonde uit de vuurlinie wegslepen? Als vrouw moet je je bewijzen, dat vind ik logisch. Al snel ontdooide Tom, hij kwam erachter dat ik snel én sterk was en hij had me er graag bij. Ik keek tegen hem op. De Afghanen lachten hem soms uit, ze vonden hem maar een jonkie, omdat hij geen baard had.”

Speciaal groepje

“Maar dan ging hij praten en sloegen ze om, dan kregen ze al snel respect voor hem. Hij was heel overtuigend en kon goed zijn visie uitleggen. Wij vormden met ons peloton een speciaal groepje, allemaal jonge mensen met veel bewijsdrang. Het maakte dat we erg close waren. We hadden een mooie tijd daar, maar toen de uitzending na drie maanden op z’n einde liep, had ik ook zin om naar huis te gaan. Drie weken voor we zouden vertrekken, gingen we op patrouille. We gingen naar de markt, zodat Tom met een lokale arts kon praten. Die arts verkocht verkeerde medicijnen aan mensen, troep. Het was onze opdracht om een kijkje bij die kliniek te nemen.”

Zelfmoordaanslag

“Vooraf keken we of er sprake was van een dreiging, maar die was er op dat moment niet. De luitenant ging bij het gezondheidscentrum naar binnen en mijn peloton stond buiten te wachten. We hielden goed in de gaten of we iets verdachts zagen. Tom kwam al snel weer naar buiten, de arts was er niet. We besloten contact met het kamp te zoeken om te vragen wat onze vervolgopdracht was. Op het moment dat Tom de hoorn van de radio wilde oppakken, blies een jongen zich op, vlak achter hem. Niemand had het zien aankomen. Het was een gewone jongen van een jaar of zestien, Afghaans gekleed, hij had totaal niet verdacht of op een talibanstrijder geleken.

Lees ook
Leonie verloor tegelijk haar beide ouders: ‘Instinctief wist ik direct: dit hebben ze zelf gedaan’

Enorme drukgolf

“Door de enorme drukgolf van de explosie kwam ik een heel eind verderop terecht. Het was één grote chaos. Shit, dacht ik, ik moet dekking zoeken. Ik wilde opstaan, maar dat lukte niet. Toen zag ik dat mijn been andersom stond en dat ik hevig bloedde. Ik dacht: dit gaat niet goed en ik probeerde een knevel bij mezelf aan te brengen om de slagaders in mijn been af te binden, zodat het bloeden zou stoppen. Het lukte niet. Ik kroop naar mijn buddy Rahmon. Hij lag verderop en hij zag niks meer. Hij hyperventileerde, omdat het heel beangstigend was om geen zicht te hebben en overal paniek en gillen te horen. ‘Houd vol, er komt hulp aan’, praatte ik op hem in en we knepen in elkaars handen.”

Lees het volledige interview in Flair 41-2020. Deze ligt t/m 13 oktober in de schappen. Wil je ‘m liever laten bezorgen? Bestellen (of nabestellen) kan hier.

Tekst: Eva Munnik

Shoppen is altijd een goed idee