Je bent hier: Home > Nieuws & Maatschappij > Twintig jaar na de vuurwerkramp: ‘Alleen het muurtje waar we tegenaan lagen stond nog overeind’

Twintig jaar na de vuurwerkramp: ‘Alleen het muurtje waar we tegenaan lagen stond nog overeind’

Nieuws & Maatschappij
Twintig jaar na de vuurwerkramp: ‘Alleen het muurtje waar we tegenaan lagen stond nog overeind’

Jaap Knotter (43) was als jonge agent aan het werk, toen de vuurwerkramp in Enschede zich voltrok. Twintig jaar later blikt hij terug: ‘Ik zag één grote vuurzee. Alle huizen om me heen waren verwoest. Bebloede mensen. En daar stond ik. Een jongetje van 23 in politie-uniform. Iedereen keek naar mij voor hulp. Hij zou het wel weten, dachten ze.’

Vuurwerkramp Enschede

“In mijn puberteit wist ik het al: ik wilde politieagent worden. Ik was idealistisch en wilde graag een steentje bijdragen aan het beter maken van onze maatschappij. Maar wel op een stoere manier. Ik meldde me op de middelbare school al aan voor de politieacademie. Ik wist dat de kans op toelating vrijwel nihil was door het beperkt aantal opleidingsplekken. Pas als er plek is én je voldoet aan alle eisen krijg je bericht. Ik kreeg geen respons en mijn aanmelding en droom verdwenen naar de achtergrond. Tijdens mijn eerste studiejaar sociale geografie kreeg ik opeens toch een oproep van de politie. Of ik me wilde laten keuren. De puber in mij maakte een sprongetje van blijdschap. De oproep kwam op het perfecte moment. Ik had toevallig net twee onvoldoendes gehaald en twijfelde over mijn huidige studie. Ik besloot mee te doen aan de keuring en kwam door alle testen. Fulltime ging ik aan de slag bij de politie in Enschede en studeerde tegelijkertijd aan de universiteit in Amsterdam. Sociologie en criminologie. Ik vond mijn werk fantastisch en alles liep op rolletjes. Tot die bewuste dag. Twintig jaar geleden. 13 mei 2000.”

Spectaculaire vuurwerkshow

“Ik werkte inmiddels vier jaar als agent en had bureaudienst. Ik bevond me veel liever op straat, maar het kan nou eenmaal niet altijd spanning en sensatie zijn. De saaiheid van de dag werd benadrukt door de laatste aangifte tijdens mijn dienst. Twee oudere dames deden bloedserieus aangifte van diefstal van plantjes uit hun voortuin. Kort na hun vertrek kwam er een melding binnen van een brand in Roombeek. Mijn dienst zat er eigenlijk op, maar mijn collega van de late dienst was nog druk met de administratie. Ik zei: ‘Joh, ik ga wel. Kan jij rustig hier afronden. Los je mij straks af.’ Ik had na mijn kantoordagje wel zin in wat actie. Ik ging met een collega ter plaatse en we stuitten op twee woningbrandjes, veroorzaakt door vuurwerk uit de vuurwerkfabriek, die midden in de wijk lag. Met een emmer water en een tuinslang wisten we de vlammen nog voor de brandweer er was te doven. Maar hoe kon dat vuurwerk zijn afgegaan? Mijn collega en ik namen nietsvermoedend poolshoogte bij de fabriek. Op de binnenplaats spraken we met de bedrijfsleiding en de brandweer. Er was brand geweest in de fabriek, maar alles was onder controle. Om toch het zekere voor het onzekere te nemen, kreeg de politie de taak het gebied rond de fabriek af te zetten. Mochten de hulpdiensten toch moeten uitrukken, dan hadden ze in elk geval snelle toegang.”

‘De tweede explosie was allesvernietigend. Het was in één klap donker’

Schuilen voor de brokstukken

“Toen kwam de ontploffing. De druk die ik tegen mijn lichaam voelde, is onbeschrijflijk. Ik werd letterlijk de straat uit gedrukt. Iedereen viel om. Als dominosteentjes. Voordat ik de ernst kon bevatten, hoorde ik mijn naam: ‘Japie! Japie! Help me!’ Het was een vrouw met wie ik als agent weleens een praatje had gemaakt. Ze was gevallen over alle fietsen en lag languit op de grond met haar zoontje in haar armen. Een peuter. Blokken steen en gruis misten hen telkens op een haar na. Ik twijfelde geen seconde, rende naar ze toe, hielp ze omhoog en leidde ze naar een nabijgelegen huis om te schuilen. Het bleek niet veilig. De woning stond in brand en de bewoners deden binnen paniekerig een poging de vlammen te doven. Zonder na te denken beval ik de vrouw en haar kind op de grond te gaan liggen. Vlak langs de woning, onder de vensterbank van het woonkamerraam. Ik ging over ze heen liggen. Waarom weet ik niet. Het was een soort oerinstinct. Ik lag net toen de tweede explosie volgde. Die was allesvernietigend. Het was in één klap donker. Het licht in onze wereld ging uit. Ik keek omhoog en zag dat het huis waar we tegenaan lagen compleet was weggeblazen. Alleen het muurtje waar wij tegenaan lagen stond nog overeind.”

Terug de hel in

“We kropen onder het puin vandaan en zagen dat bijna alle huizen om ons heen waren weggevaagd. De woningen die nog overeind stonden, stonden in brand. Door de dikke rookpluim kon ik de grootte van het rampgebied niet overzien, maar ik wist dat we verre van veilig waren. Ik nam het kind in mijn armen en riep dat de vrouw mij moest volgen. Ver kwam ik niet. Ik struikelde over een hekje. Hierna ben ik een stukje van de film kwijt. Ik denk dat ik ben geraakt door een vuurwerkprojectiel, want toen ik bijkwam stond mijn overhemd in brand. Met mijn blote handen sloeg ik het vuur uit. Ik verzamelde burgers die wilden helpen en samen probeerden we zo veel mogelijk mensen uit het rampgebied te leiden. We kwamen steeds verder weg van de vuurwerkfabriek en bereikten een grasveldje. Heel even voelde ik me veilig. En toen stond daar die vrouw voor mij. Zonder haar kind. Ik had me nog helemaal niet gerealiseerd dat ik ze kwijt was.  ‘Waar is mijn kind, Jaap?’  vroeg ze wanhopig. Ik stortte compleet in. Ik had haar kind overgenomen. Ik zou haar kind beschermen. Ik had gefaald. Ik werd overspoeld door een verwoestend schuldgevoel. Toen besefte ik: ik moet terug. Ik moet hem vinden. Ik moet mijn fout goedmaken. Ik moet terug de hel in.”

Hartverscheurend

“Met een groep burgers vertrok ik richting de plek waar ik het jongetje was kwijtgeraakt. De vuurzee had de straat inmiddels bereikt en die was onbegaanbaar. Als agent kende ik de wijk en wist ik dat we de plek mogelijk via een omweg konden bereiken. Ik werd gedreven door schuldgevoel en probeerde mijn fout goed te maken door tijdens mijn zoektocht zo veel mogelijk andere mensen te redden. Ik haalde mensen uit brandende huizen, tilde slachtoffers naar relatief veilige plekken, totdat ik van straat werd geplukt door mijn collega’s. Ze zagen mij lopen. Zwartgeblakerd, bebloed, met gescheurde kleding en verschroeid haar. Ik vertelde ze direct over het kind, maar hun prioriteit lag bij mij. Ze brachten mij naar het ziekenhuis. Mijn collega’s vertelden dat ook mijn huis verwoest was door de explosies. Het deed me niks. Ik had zo veel ellende gezien dat het verlies van een huis, van materiaal, in het niet viel. Ik was een kind kwijtgeraakt, dat was het enige wat door mijn hoofd spookte.”

‘De koningin noemde me een held. Ik snapte haar niet. Hoe kon ik in hemelsnaam trots zijn op mezelf?’

Getroost door de koningin

“Ik overnachtte bij mijn ouders en de volgende dag werd ik gebeld of ik koningin Beatrix en premier Wim Kok te woord wilde staan in het rampgebied. Omdat ik vanaf het eerste moment bij de ramp betrokken was. Het eerste wat ik de koningin vertelde was hoe schuldig ik me voelde. Ik brak. De tranen rolden over mijn wangen. De koningin nam me in haar armen. ‘Kijk wat je hebt gedaan, hoeveel mensen je hebt gered. Je bent een held.’ Ik snapte haar niet. Hoe kon ik in hemelsnaam trots zijn op mezelf? Na de ontmoeting keerde ik terug naar het politiebureau. En als donderslag bij heldere hemel stond ik daar opeens oog in oog met het jongetje. Mijn collega’s waren doorgegaan met de zoektocht en hadden hem gevonden. Ik wist niet hoe of wat, maar dat boeide me ook niet. Hij leefde. Ik pakte het jochie op, nam hem in mijn armen en danste door het politiebureau. Ik joelde van blijdschap. Weer huilde ik, maar dit keer van pure opluchting. Het jongetje keek geschrokken. Hij zal wel hebben gedacht: wie is deze gekke man?

Lees ook
Mireille: ‘Een kindje op school wilde m’n dochters hand niet vasthouden omdat ze zwart is’

‘De echte helden zijn de burgers’

De mensen die ik heb gered heb ik alleen vlak na de ramp nog gezien. Met de vrouw en haar kind heb ik thuis nagepraat om zo onze gedeelde ervaring informeel af te sluiten. Hun dankbaarheid was groot. Zo groot dat ik het moeilijk vond wat ik ermee moest. Ze noemden mij een held, maar zo voelde ik me niet. Nog steeds niet. Ik ben achteraf trots op hoe ik heb gehandeld, maar vind het tegelijkertijd vanzelfsprekend wat ik heb gedaan. Ik deed gewoon mijn werk en kreeg er netjes voor betaald. De echte helden zijn wat mij betreft de dappere burgers die mij te hulp schoten. Die zichzelf in veiligheid hadden kunnen brengen, maar keer op keer met mij het rampgebied in gingen om onbekenden te helpen. Maar ik? Nee, ik ben geen held. Ik ben gewoon een agent.”

Meer verhalen lees je in Flair 28-2020. Deze ligt t/m 14 juli in de schappen. Wil je ‘m liever laten bezorgen? Bestellen (of nabestellen) kan hier.

Tekst: Jadrike Boels

Shoppen is altijd een goed idee