Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Nieuws & Maatschappij > Als je buren ruziën: ‘Eerst was ik boos om de herrie, daarna vooral bezorgd om de kinderen’

Als je buren ruziën: ‘Eerst was ik boos om de herrie, daarna vooral bezorgd om de kinderen’

Als je buren ruziën: ‘Eerst was ik boos om de herrie, daarna vooral bezorgd om de kinderen’

Olivia (36) kreeg drie jaar geleden nieuwe mensen naast zich wonen. Vanaf dag één schreeuwden ze de meest vreselijke dingen tegen elkaar en gooiden keihard met de deuren. Olivia begon zich steeds meer zorgen te maken. Vooral over hun twee jonge kinderen.

‘Ze leken me aardig, de nieuwe buren. Misschien konden hun twee kinderen gauw komen spelen met de onze, dacht ik nog. De volgende ochtend werd ik ­wakker van hard geschreeuw. De ­buren renden als bezetenen de trappen op en af en maakten elkaar uit voor de ­vreselijkste dingen. Wij konden elk woord verstaan. Ik lag als een plank in bed, verstijfd van wat ik hoorde. Ik probeerde mezelf gerust te stellen: je weet hoe onrustig zo’n verhuizing is.’

Politie bellen

‘Ze hebben vast stress en reageren dat op elkaar af. Maar na de eerste dagen leek het schreeuwen en met deuren slaan ­alleen maar erger te wordeEr gingen weken voorbij. Op straat werd ik geregeld aangesproken door andere ­buren: ‘Hoe hou je het vol?’ vroegen ze. Ook zij hadden het lawaai gehoord. Maar omdat wij direct naast ze woonden, was de overlast bij ons het ergst. Steeds vaker dacht ik aan de kinderen, die niet ouder konden zijn dan drie en zes. Buiten ­spelen, zoals onze kinderen, deden ze niet. Ze waren hele dagen binnen. En ­zaten dan dus de hele tijd midden in die agressie. Wat doet het met een kind om in zo’n situatie op te groeien? Was ik in het ­begin vooral boos en geïrriteerd over de herrie, steeds vaker maakte ik me ­zorgen om de buurkinderen. Op een dag, de buren woonden er alweer een paar maanden, zat ik thuis op de bank. Ze begonnen weer. Zij schreeuwde dat hij niet te vertrouwen was. Er klonk een harde klap. Bam. Kei- en keihard werd er iets kapotgegooid ­tegen de muur. Vanaf dat moment ging het dag en nacht door. Hun eeuwige geruzie maakte me angstig en gespannen. Mijn man en ik ­lagen er allebei wakker van. Een van die nachten, het was inmiddels half drie in 
de ochtend, begonnen we ons serieus af te vragen of we de politie moesten ­bellen. Het was echt niet meer normaal. We twijfelden, maar belden ­uiteindelijk toch. Aan de telefoon legden we uit waarom we ons zo veel zorgen maakten. Ze begrepen het meteen en zijn gekomen. Daarna was het één of twee weken rustiger bij de buren. Toen begon het weer van vooraf aan. Al was ik moe en helemaal klaar met de herrie, toch deed ik een poging ze te begrijpen. Moest er niet eens iemand met ze gaan praten? In de buurt-appgroep wierp één buurman zich op. Toen hij op het laatste moment terugkrabbelde, zei ik: ‘Dan ga ik wel.’

Gesprek

Dat had misschien al veel eerder moeten gebeuren, maar iedereen was bang. Ik ook. Aan de ene kant bang dat zo’n ­gesprek het alleen maar erger zou maken. Aan de andere kant bang om me te ­bemoeien met iets wat me eigenlijk niet aanging. Toch raapte ik al m’n moed bij elkaar. Niet eens zozeer voor mezelf of omdat ook andere buren er zo’n last van hadden. Maar vooral voor de kinderen van m’n buren. Omdat ik het zag als een laatste ­“Mijn knieën knikten toen ik naar hun voordeur liep. Ik probeerde mezelf te ­kalmeren. Wat was het ergste dat kon ­gebeuren? Dat ze niets van me moesten hebben. Wat dan nog? Ik drukte op de bel en de deur zwaaide open. Nu kon ik niet meer terug. ‘Ik wil met jullie praten,’ zei ik. De buurman liet me binnen. Ik zocht naar woorden. Ik moest het niet hebben over hoe die eeuwige herrie voor óns was, maar over hoe het voor hen was, voor hen als gezin. Dan konden we misschien nader tot elkaar komen. Toen begon ik te praten. Over dat het voor de kinderen niet goed was om altijd maar tussen twee ruziënde ouders in te zitten. ‘Zij leren van jullie dat het normaal is om elkaar uit te schelden en dingen naar elkaar te gooien.’ Ik zag dat mijn woorden aankwamen bij de vader, en richtte me tot hem: ‘Jij leert je dochter dat het normaal is om klappen te krijgen. Jij leert je zoon dat het erbij hoort om je vrouw te slaan. Wil je dat voor ze?’ Hij begon te huilen. Knikkend zei hij dat ik gelijk had. Ze hadden allebei een ingewikkelde jeugd gehad, vertelde hij. Pas na een uur ging ik weg, met een ­belofte: ‘Als ik jullie weer zo hoor ruziën, bel ik weer de politie. Niet om vervelend te zijn, maar voor de veiligheid van jullie kinderen.’ Daarna werd het rustiger bij de buren.

De buurman vertelde later dat hij en zijn vrouw samen in therapie zaten. Een schreeuwdag, zoals wij het thuis ­inmiddels waren gaan noemen, komt nog weleens voor. Maar die dagen zijn een uitzondering geworden. Gelukkig. De kinderen van de buren zijn inmiddels vijf en zeven. Ik zie ze steeds vaker buiten spelen. Dan lachen ze naar me en weet ik waar ik het voor heb gedaan.’

Tekst: Renée Lamboo-Kooij. Dit verhaal heeft eerder in VIVA gestaan.