Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > #IkHebFlair > Thrillermaand: ‘We mogen de dood van Natasja niet meteen afschrijven als zelfdoding…’

Thrillermaand: ‘We mogen de dood van Natasja niet meteen afschrijven als zelfdoding…’

Thrillermaand: ‘We mogen de dood van Natasja niet meteen afschrijven als zelfdoding…’

Augustus is Flair’s thrillermaand. Vier weken op rij krijg je van ons een verhaal van een topauteur. We trappen af met Corinne Hartman die speciaal voor Flair een verhaal schreef over daders, slachtoffers en een gedreven rechercheur. Het verhaal heet: Schuldig.

Ze heeft blond, lang haar en mijn gedachten gaan als vanzelf terug in de tijd. De schouwarts vraagt of het goed met me gaat. Dan pas besef ik dat hij ook daarvoor al iets tegen me gezegd moet hebben. “Ik was in gedachten bij een oude zaak,” zeg ik, en ik herpak mezelf. “Neem me niet kwalijk, je zei iets?”

“Het geeft niet.” Hij glimlacht bemoedigend. “Het aantal zelfdodingen daalt gelukkig de laatste jaren, maar er zou als je het mij vraagt nog veel meer aan preventie gedaan mogen worden, zeker onder de jeugd.”

“En hoe zit het met de tijd van het jaar?” vraag ik. “Vinden de meeste zelfdodingen niet plaats in het voorjaar?’

Dat bevestigt de arts. “Meer gevallen als de natuur ontluikt dan wanneer die afsterft, eigenlijk lijkt dat niet erg logisch, maar je hebt gelijk. En een op de drie door verhanging,” verzucht hij. “Geloof me Ellen, dit gaat niemand in de koude kleren zitten.”

Een medewerker van de Forensische Opsporing stelt sporen veilig. Omdat verhanging een onnatuurlijke dood is, volgt er een onderzoek. Als de arts zich op in te vullen formulieren richt, bekijk ik het dode lichaam opnieuw. Met afschuw vanwege de onomkeerbaarheid, en met compassie omdat er gebroken ouders zullen zijn. Maar eerst en vooral met professionele nieuwsgierigheid. En bij het zien van de kleine moedervlek boven de linker wenkbrauw, heb ik ineens het vermoeden dat ze me bekend voorkomt. De handen van de jonge vrouw lijken onaangetast. Smalle handen met keurig gelakte nagels. Zocht ze ondanks alles naar enige waardigheid? “Is er een afscheidsbrief gevonden?” vraag ik aan mijn collega.

“Nee,” zegt hij. “Nog niet, in elk geval.”

Ik vraag hem wie haar heeft gevonden en Ruud wijst naar een jonge agent, die eruitziet alsof hij en zijn uniform nog aan elkaar moeten wennen.

“Inspecteur Ellen Franck,” zeg ik, me voorstellend, en leg even een bemoedigende hand op zijn schouder als hij zijn naam ietwat bibberig geeft. “Van wie kwam de melding?” vraag ik, en hij antwoordt: “We kregen een telefoontje van een ongeruste vader. Hij had zijn dochter twee dagen niet kunnen bereiken.”

“We?”

“Mijn collega en ik. We hebben een deur geforceerd, zodat we naar binnen konden. Zij is weggegaan na een melding van een verkeersongeval.”

“Goed zo,” zeg ik, met een tevreden knikje. “Dus we weten wie we te betreuren hebben?”

“Zeker, mevrouw. Natasja Blincker, 21 jaar. Woonde sinds kort in dit…”

Ik trek mijn jas strakker om me heen. “Wat zeg je?”

“Ze woonde sinds…”

“Nee, haar naam.”

“Natasja Blincker.”

Ik draai me van de agent af. Dus toch. Het recherchebloed stroomt feller, bijna hoorbaar door mijn lichaam, zet al mijn zintuigen op scherp. Toeval bestaat niet, zeker niet in mijn vak.

Mager

Ze is magerder dan ik me herinner, maar ze is het. Een akelig vermoeden rijst in me op, al prent ik mezelf in dat ik geen voorbarige conclusies mag trekken.

“We moeten er bij de sectie goed op toezien dat er wordt gekeken naar seksuele activiteit,” zeg ik tegen Ruud, en ik hoor de nerveuze opwinding in mijn stem. Die ontgaat mijn collega blijkbaar ook niet, want hij kijkt me fronsend aan.

“Het is toch in- en in triest, zo’n jonge vrouw?” zeg ik.

Hij aarzelt net iets te lang voor hij knikt. “Natuurlijk, Ellen,” zegt hij dan, en met een gebaar naar de bleek weggetrokken, jonge agent vervolgt hij: “Ik breng hem even weg.”

“Ja, goed, ga maar.”

Ik neem de tijd om de kamer te onderzoeken; de kast met op kleur gesorteerde kleren, een bureau met een lade onder het blad. Geen zichtbare, persoonlijke accenten; nergens foto’s, geen aanwijzing voor een liefdesrelatie. Een tas in felgeel en rood, waarin ik lippenstift vind, een nagelknipper, een telefoon, en een agenda. Morgen geeft ene Michiel een feestje waar Natasja niet zal komen opdagen. Haar verjaardag staat erin genoteerd, enkele weken geleden, ze werd eenentwintig. Dus het is twee jaar geleden.

Het stoffelijk overschot wordt van het plafond losgemaakt, het lijk wordt in een kunststof zak geritst en op een brancard weggereden. De stemmen verdwijnen en ik blijf achter in de stille kamer. Vanuit een ongemakkelijke stoel laat ik Natasja’s leefruimte op me inwerken. Na de bedrijvigheid op deze schamele vierkante meters wijst nu niets meer op het drama dat zich hier heeft afgespeeld. Zelfs de balk onder het schuine dak lijkt nooit voor iets anders bestemd te zijn geweest dan versteviging van een constructie.

Twee jaar geleden wilde Natasja haar relatie met Peter Mellink beëindigen. Ik weet nog wat ze verklaarde: dat hij geen genoegen nam met ‘nee’, een mes op haar keel zette en haar verkrachtte. Ze had nooit geweten dat hij al eens was veroordeeld voor eenzelfde delict. Een rechtszaak volgde, maar het bewijs bleek ontoereikend, ze had immers eerder ook vrijwillig seks met hem gehad en er waren geen uiterlijke verwondingen. Heeft Natasja Blincker sindsdien toegeleefd naar deze beslissing, of is hier iets in scène gezet?

Zelfmoord. Moord.

Net nu Luca hier is, en nog wel met een missie: hij wil me voorgoed meenemen naar zijn romantische stad met de vierhonderd bruggen, hij wil dat we elke avond over het Piazza San Marco flaneren, betoverd door de fabelachtige uitzichten op het water.

Ik moet hem duidelijk maken dat ik mijn werk niet zomaar kan opgeven.

Haar tas. Daar was ik nog mee bezig. De bontgekleurde tas, de agenda waar ik in bladerde. Nadere inspectie levert een dubbelgevouwen envelop op, niet dichtgeplakt, niet geadresseerd, erin een tweetal gelinieerde vellen papier, beschreven met blauwe inkt. Aandachtig lees ik Natasja’s woorden die niet voor mijn ogen zijn bestemd. Of misschien juist wel.

Moord?

Langs de rivier wandelend probeer ik mijn gedachten te ordenen, voor ik naar Natasja’s ouders ga. Weggedoken in de kraag van mijn jas, een stormachtige regenbui trotserend, herinner ik me hoe ik als kind zeker wist te willen bijdragen aan een betere, rechtvaardige wereld. “Ellen wil boeven vangen,” zei mijn vader.

Had ik de dood van Natasja kunnen voorkomen? Hoe schuldig zullen de ouders zich voelen? Ik buig mijn hoofd achterover en kijk door de zilveren watersluier naar de grijze lucht. Even later stap ik weer in de auto en steek mijn natgeregende haren op. Uit de tas op de passagiersstoel pak ik Natasja’s brief aan haar ouders, en mijn ogen vliegen opnieuw over de ietwat bibberige, maar helder geschreven zinnen. Opgedroogde druppels verraden tranen tijdens het schrijven en ik neem het besluit terwijl ik het vel opvouw, stop de brief in mijn eigen tas en start de auto.

Na het emotionele gesprek met de ouders haast ik me naar het bureau, roep mijn team bij elkaar en vertel dat we de dood van Natasja Blincker niet meteen mogen afschrijven als zelfdoding.

“Geloof jij in moord?” Chris klinkt verbaasd.

Het hartverscheurende huilen van de moeder galmt nog na in mijn hoofd. Ik draai me om naar het bord en vanaf een foto staart Peter Mellink me met een arrogante blik aan.

“Natasja meldde weleens dat ze werd gestalkt,” zegt Chris, ‘maar Mellink werd nooit gezien in haar omgeving. Had ze ook geen anorexia? Ik bedoel, dan zit er geestelijk toch iets niet…”

“Chris, alsjeblieft,” onderbreek ik hem. “Er is een brief, die ze een week geleden aan hem schreef, maar niet verstuurde. Ze smeekte hem haar met rust te laten. Houden we de optie open, dat hij haar een handje heeft geholpen?”

Ruud lijkt iets te willen zeggen, maar zwijgt.

“Jullie willen toch ook de waarheid? Net als… net als ik?” Ik wacht hun reactie niet af. “Laten we aan het werk gaan. Wees voorzichtig.”

Mijn collega’s verlaten de spreekkamer en ik haal diep adem, prent mezelf in dat het goed is.

De kou, die ik de hele dag heb gevoeld, verdwijnt als ik thuiskom. Luca verwelkomt me met een omhelzing en een heerlijk ruikende pastaschotel. De geschilderde Hollandse luchten hebben vandaag plaatsgemaakt voor mijn vaders sterk uitvergrote handen in houtskool. “Van de foto in de hal,” zegt hij. “Ze fascineerden me.”

De foto heb ik vlak voor zijn plotselinge dood gemaakt. “Niet goed?” wil Luca weten. “Heel goed,” zeg ik ontroerd.

Ik hou immens veel van Luca en ik was laf. Ik hield me voor dat ik nooit in een vertrek naar Venetië had geloofd, niet echt, maar de waarheid is dat ik geen recht meer meende te hebben op geluk. Niet na Laura. Mijn maag krimpt ineen als het beeld van haar verminkte lijk op mijn netvlies verschijnt. Ik kan beter aan Luca denken. Hij is teruggekomen met voldoende hoop voor twee.

“Het weer was te somber voor luchten,” zegt hij, terwijl hij mijn pijnlijke en stijve spieren kneedt en ik hoop dat hij daar nog lang mee doorgaat.

Die nacht droom ik van slenteren op de vismarkt bij de Rialtobrug en van reizen per vaporetto door het Canal Grande. Maar als ik om drie uur wakker word, denk ik aan Mellink en kan ik niet meer slapen.

Lastigvallen

De volgende ochtend verrassen we hem. Peter Mellink is het type dat het bloed onder mijn nagels vandaan haalt: dominant, geen empathie, een sluw antwoord op elke vraag. Hij ziet er verzorgd uit, net als zijn flat. Hij ontkent elke betrokkenheid bij Natasja’s dood; onder de indruk is hij evenmin.

“Je hebt haar lastiggevallen,” zeg ik.

“Dat komt omdat die bitch me te grazen nam.”

“Pardon? Zij jóu te grazen nam?”

Ik zie de agressie in zijn blik, koude rillingen lopen over mijn rug, en ik knik naar Ruud; pak hem maar aan. Een handige leugenaar, een verkrachter… een moordenaar? Iedereen heeft het in zich, diep vanbinnen, daar ben ik van overtuigd.

“Excuseer me,” zeg ik, terwijl ik opsta. “Ik moet even gebruikmaken van je toilet, Peter.” Badkamer, om precies te zijn. Deze flats hebben geen apart toilet. In de gang blijf ik staan. Ik weet welke deur naar de badkamer leidt, maar ik moet tot rust komen. Het beeld van Natasja’s levenloze lichaam danst voor mijn ogen.

De collega’s kijken me onderzoekend aan als ik weer binnenkom. “Wat heb ik gemist?” vraag ik, en ze schudden hun hoofd. “Niets. We kunnen gaan.”

Mijn hart bonkt nog voelbaar in mijn borst als ik me in de auto probeer te concentreren op het drukke verkeer. “Voel je je wel lekker?” vraagt Chris. “Ik zag je bleek wegtrekken bij Mellink.”

“Beetje buikpijn.”

“Het is die Italiaan van je,” oppert Ruud vanaf de achterbank. “Met al die olijfolie van hem.”

“Wat denken jullie ervan?” wil ik weten.

“Van Luca?” vraagt Ruud.

“Heeft Mellink het gedaan?”

“Ik betwijfel het,” zegt Chris, “en geloof me, we hebben hem flink onder druk gezet.”

Zes jaar geleden was ik voor het laatst in Venetië met Luca. We waren gelukkig en ik zou willen dat ik toen bij hem was gebleven. Een maand later werd de zeventienjarige Laura Hartemink verkracht, vermoord, verminkt. Een monsterlijke daad die een spoor van vernietiging in mijn ziel achterliet.

Wat heb ik gedaan? Peter Mellink, ik zag het in zijn ogen. Net als toen bij… “Die Peter…”

“Ellen!”

In een reflex trap ik op de rem en trek het stuur naar links om de auto van rechts te ontwijken. Het gaat veel te snel, een fractie van een seconde, dan is daar de klap. Ik hoor iemand schreeuwen. Gevolgd door een gil. Misschien ben ik het zelf. De auto draait om zijn as. Ik sluit mijn ogen en wacht op het leven dat als een film aan me voorbij moet gaan. Maar er gebeurt niets.

Verdwaasd kijk ik om me heen. Geen finale, maar stilte. Waarom hoor ik niets? Chris? Ruud? Aan hun kant ramde de auto de mijne. O, hemel.

“Fuck, Ellen, echt, een vrouw achter het stuur…” Ruuds stem, overslaand, maar aanwezig. Maar naast me bespeur ik geen beweging, alleen bloed. Ik strek mijn arm naar hem uit. “Chris?”

Op mijn geweten

De angst dat ik Chris’ dood op mijn geweten heb, beneemt me de adem. Vaag besef ik dat Ruud de auto uitstapt, de deur aan de passagierskant opent en Chris’ naam noemt. Ik hoor sirenes.

“Rechts heeft toch sinds eeuwen al voorrang?” De vloek die Chris erop laat volgen, kraakt als een oude grammofoon, en ik knijp opgelucht in zijn arm.

Het is al ver in de middag als Ruud op het bureau koffie voor ons tweeën inschenkt. Chris’ verwondingen vallen mee, ook al blijft hij nog even ter observatie in het ziekenhuis. Ruud stelt voor het onderzoek te staken. “Als de sectie niets uitwijst, is het zinloos, Ellen, denk je niet?”

Ik leg Natasja’s brief onder zijn neus. “Hoe verdacht vind je het, dat ze een brief schrijft aan de man die ze haat, en geen afscheidsbrief achterlaat? Een noodkreet, Ruud. Heb je ’m niet gelezen?”

“We waren druk met het buurtonderzoek. En Mellink.”

Hardop lees ik voor: ‘Ik vraag me af waarom je me niet met rust wilt laten. Ik wed dat jij in de gevangenis alle hulp en therapie aangeboden hebt gekregen. Dat je je moest focussen op de toekomst en daarbij van alle kanten steun kreeg. Terwijl ik, ik ben sinds… niet eens meer…’

“Niet meer wat?”

“Kan ik niet lezen.”

“Uitgelekte inkt wegens tranen?”

“Nee,” zeg ik. “Er is iets doorgestreept, en daar staat bij: ‘dat gaat je niet aan. Ik voel me vies, ik schaam me voor mijn eigen lichaam.’”

“Maar dat is nog geen bewijs van moord, Ellen.”

“‘Toen je zo ineens naast me stond in de supermarkt,’ lees ik verder, ‘ben ik me doodgeschrokken, en sindsdien ben ik niet meer buiten geweest. Ik denk dat je dat ook wel weet. Wist je dat ik…’ Ik wijs op het einde van de brief. “Doorgekraste regels, gescheurd papier. Het enige wat ik eruit kan opmaken, is dat ze hem smeekt haar met rust te laten. Later dacht ze misschien dat die woorden hem juist zouden aanmoedigen. Hij heeft haar laten lijden, dat maakt hem hoe dan ook schuldig. Mee eens?”

Mijn collega aarzelt en ik dring aan. “We kunnen dit niet zomaar laten lopen, Ruud.”

“Nee,” zegt hij, en hij slaat met zijn vlakke hand op tafel, als om zichzelf te overtuigen. “Nee,” zegt hij opnieuw. “Dat kunnen we inderdaad niet.”

“Kan ik op je rekenen?” vraag ik voor de zekerheid.

Hij knikt. “Ja, Ellen, je kunt op me rekenen.”

Niet lekker

Het is koud in het laboratorium en ik blaas in mijn handen om ze op te warmen. De patholoog heeft met geroutineerde bewegingen zijn instrumenten klaargelegd, hij heeft het stoffelijk overschot van Natasja nauwkeurig bekeken en ik heb een tiental foto’s gemaakt.

“Uitwendig zijn er geen tekenen van verzet of strijd,” zegt de arts. ‘De striemen in haar nek komen overeen met de structuur van het touw.”

Ik ga zitten. “Sorry. Ik voel me niet lekker.”

De arts kijkt op. “Een griepje? Het heerst.”

“Het is de aanrijding van vanmorgen, vrees ik, ik barst van de hoofdpijn. Heeft u misschien een kop koffie voor me?”

“U weet dat het spul dat uit onze machine komt die naam niet verdient?”

“En een aspirine? Alstublieft?”

“Omdat u het bent,” zegt hij met een glimlach, en dan, kijkend naar het lijk: “En deze dame heeft geen haast.” Als ik even later net weer ben gaan zitten, is hij terug. Met koffie en twee aspirines.

Ik bedank hem en volg zijn handelingen, neem af en toe een foto. Het onderzoek van Natasja’s geslachtsdelen bezorgt me een ongemakkelijk gevoel.

“Ik heb iets,” hoor ik de arts zeggen. “Maakt u weer even een foto?”

“Wat is het?”

“Een haar. Die lijkt me niet van de blonde dame zelf. Ik zal haast zetten achter een DNA-test. Denkt u echt aan moord?”

“Ze werd gestalkt.”

“Stalken? In mijn tijd kenden we het woord niet eens, maar het is erg genoeg. En dat is dan onze samenleving.” Terwijl de arts zijn ongerustheid uit over afnemende zorgvoorzieningen, snijdt hij het lichaam open. Hij weegt ingewanden, neemt monsters en maakt aantekeningen. Getallen, die Natasja reduceren tot een combinatie van bloed, organen, weefsel en botten.

Het weeë, misselijke gevoel is er plotseling en ik red het net om een wasbak te bereiken voor ik brakend mijn maag leeg, tot ik alleen nog gal ophoest. De arts reikt me papieren doekjes aan. Ik bedank hem, spoel mijn mond met water en aai een laatste keer langs Natasja’s wang voor ik ga.

Vermist

Onder eeuwenoude bomen, die hun oranjebruine bladeren laten vallen, parkeer ik de auto. Het bos waar maandenlang knuffels lagen, kaarsjes werden gebrand. In een automatisme ben ik hierheen gereden. Ik laat de frisse herfstlucht mijn longen vullen. Het was zacht weer, die herfstdag, zes jaar geleden. Het waaide, bladeren rolden speels over de weg. Ik was onderweg naar huis, dacht aan Luca toen ik werd gebeld.

“Ellen? Er is een meisje vermist.” Aan Ruuds stem hoorde ik dat ook hij onmiddellijk het ergste vreesde. Met boodschappen in de kofferbak gaf ik gehoor aan de oproep en we zochten tot we Laura vonden, hier, haar lichaam deels bedekt met zand en bladeren, niet eens ver van huis. Laura was mishandeld en misbruikt, op zo’n gruwelijke manier dat ze de dood uiteindelijk misschien zelfs heeft verwelkomd. Haar blonde haar lag uitgewaaierd in bloederige slierten rond haar fijne gezichtje. Ik kreeg dat beeld niet meer uit mijn hoofd, ook niet toen de zaak allang was gesloten en de dader schuldig was bevonden en veroordeeld.

Luca deed zijn best, maar de Venetiaanse liefde verloor het van mijn schuldgevoel. Onze relatie was niet bestand tegen mijn woede en frustratie. Ergens was ik zelfs opgelucht dat ik geen lach meer hoefde te veinzen. Later kwam de spijt, dat ik een leven ginds had opgegeven. Maar nu, nu zijn er momenten van hoop.

Ik bel het bureau om te zeggen dat ik naar het ziekenhuis ga, en daar breng ik Chris chocolade met excuses. Hij mag morgenvroeg naar huis, en ondanks mijn protest wil hij direct weer aan het werk. Daarna rijd ik naar huis, maar het irriteert me als Luca commentaar heeft op mijn zwijgen. “Ik zie hoe je wordt opgeslokt door je werk,” zegt hij. “Het maakt je gespannen, waarom doe je het?”

“Omdat ik dit altijd heb gewild.”

“Maar nu nog steeds? Misschien moet je goed naar jezelf luisteren.” Hij staat hoofdschuddend op. “Ik ga schilderen, en misschien moet ik eens gaan denken over mijn vlucht terug.”

Uitgeput rol ik me als een foetus op in bed. Waar ik normaal gesproken lees tot mijn ogen dichtvallen, zweven de woorden nu voor mijn ogen, veranderen in hachelijke beelden waarin ik wanhopig mijn weg zoek in een doolhof van bladeren. Waarna ik bezweet wakker schrik.

Ik kruip het bed uit, trek een trui aan en kijk om de hoek van de logeerkamer, die dienstdoet als atelier. Luca zet schaduwen met Frans ultramarijn, gaat geconcentreerd op in zijn werk. Zachtjes draai ik me om, en verwens de hoop. Ik zal ontmaskerd worden, ik zal me verspreken, over een dag of wat is alles voorbij.

Lees ook
Barbara heeft cup F en schaamde zich daar vroeger voor: ‘Op camera durf ik meer’

Zorgen

Een pleister boven Chris’ rechteroog herinnert nog aan het auto-ongeluk. Hij maakt zich zorgen, zegt hij.

“Je zegt altijd wel tegen ons dat we voorzichtig moeten zijn, maar nu…” Chris kijkt me polsend aan.

“Nogmaals mijn oprechte excuses, die auto van rechts… Ik ben nogal van slag sinds Natasja’s dood.”

“Excuses aanvaard, Ellen. Maar er is nog iets, denk ik. Of iemand. Laura Hartemink?”

“Eh, waarom denk je dat?”

“Ook een dode jonge vrouw, met blond, lang haar. Die moord heeft veel impact gehad.”

“Ik denk vaak aan haar,” geef ik toe.

Ruud loopt het kantoor binnen met koffie. Ik weet even niet wat ik moet zeggen, de herinnering aan Laura verlamt me. Het slipje onder aan haar enkels, haar met bloed besmeurde lichaam. De feloranje fiets tussen de struiken.

“Heb je nog steeds last van schuldgevoelens?” vraagt Chris.

Ja, wil ik schreeuwen. Ja, daar heb ik enorm veel last van, steeds meer, zelfs. Maar mijn keel zit dicht en ik knik alleen even.

“We hebben ons werk gedaan,” zegt Chris.

Ik voel hun ogen op me gericht. De dader was verantwoordelijk voor de verkrachting van een meisje, waarbij hij gewelddadig gedrag vertoonde, maar de zaak werd geseponeerd na een procedurefout.

“Dat is het lot,” meent Ruud. “Net als zo’n auto van rechts.”

Ik schuif de beker koffie van me af. “Het is verdomme zes jaar geleden. We leven nu, en ik zal zeggen wat ik denk: Mellink is een rat, en ratten horen opgeruimd te worden.”

Ze kijken me allebei verbaasd aan.

“Ik wil Mellink achter slot en grendel,” zeg ik vastberaden. “Uit zijn dossier blijkt dat hij gewelddadiger wordt. Op zijn elfde een winkeldiefstal, met achttien zijn eerste aanranding, inmiddels heeft hij zes maanden achter de tralies gezeten en daar is hij niet beter van geworden.”

“Goed. Kom, Ruud, we gaan een fluitje regelen en voor rattenvanger van Hamelen spelen.”

“Oké,” zeg ik, met een zucht van opluchting. “En…”

“Wees voorzichtig,” vult Ruud voor me in. “Dat is wederzijds, chef.”

Realiteit

Thuis blijkt het atelier verlaten, mijn Venetiaan is verdwenen. Hij heeft kennelijk zijn conclusie getrokken en gelijk heeft ie. Verslagen schuif ik Vivaldi’s Vier Jaargetijden in de cd-speler en selecteer het herfstconcert. Ik maak een omelet, maar krijg geen hap door mijn keel, verlang alleen naar Luca’s armen om me heen.

Dit is niet wat ik voor ogen had, toen ik voor het eerst dat blauwe uniform aantrok. Zo trots als een pauw, denkend dat ik de wereld een veiliger plek kon maken. Wat vreselijk naïef. Ik had nu in Venetië kunnen lopen. Zelfs in de natte herfst is de stad onweerstaanbaar, met laarzen aan over een ondergelopen San Marcoplein.

Alles draait om mazen in de wet, geld, en vriendjespolitiek. De rijkste wint. Terwijl ik me al die tijd had kunnen onderdompelen in het Italiaanse leven. Met Luca’s liefde ben ik een ander mens. Hartstochtelijker, vrolijker, positiever.

Het geluid van mijn telefoon brengt me terug in de realiteit. “Inspecteur Franck?” zegt een stem.

“Spreekt u mee.”

“Van Asch van het forensisch lab. Zegt de naam Petrus Antonius Mellink u iets?”

“Zeker.”

“De haar die u geïdentificeerd wilde hebben op het stoffelijk overschot van Natasja Blincker is een honderd procent match met zijn DNA.”

Een moment van twijfel. Heel kort. Dan bel ik de officier van justitie, die toestemming geeft voor Mellinks arrestatie. Nog geen uur later sta ik met mijn collega’s voor zijn flat. Ruud belt aan, maar er volgt geen reactie.

“Mellink!” Chris schreeuwt door de brievenbus. ‘Doe open!’

Er gebeurt niets. Ik knik, en Chris forceert de voordeur. Ik haal mijn wapen tevoorschijn, en mijn collega’s doen hetzelfde.

Zwijgend, met routineuze handelingen, controleren we de flat. Geen Mellink. De achterdeur staat open en die leidt naar het balkon. Ik zie nog net hoe een fit figuur op het grasveld landt en wegrent. “Hij is al buiten,” roep ik. “Regel assistentie.”

Mijn collega’s volgen Mellinks route, ik neem de trap. Voor de ingang van het flatgebouw kijk ik snel om me heen. Hij heeft geen auto. Een brommer? Ik hoor niks. Verstopt hij zich, in de hoop dat ik hem niet vind?

Ja. Hij is een rat. Ratten vluchten in hun hol.

Niet alleen praten

Ik ren langs het gebouw en de eerste deur die ik zie, staat op een kier. Voorzichtig sluip ik naar binnen, laat mijn ogen wennen aan het duister. Ik ontgrendel mijn wapen en beweeg geruisloos, geconcentreerd door de smalle gang met muren tot schouderhoogte, daarboven gaas. Zag ik iets? Hoorde ik iets? Ik vermoed het: een meter of acht voor me. Met het wapen in de aanslag zet ik stap voor stap in opperste concentratie. Pas als ik vlak bij ben weet ik zeker dat hij er is. Ik voel zijn aanwezigheid nog eerder dan dat ik die zie.

“Politie,” roep ik. ‘Dit is mijn enige waarschuwing. Laat jezelf zien, of ik schiet.”

Als ik achter me het ontgrendelen van een pistool hoor, weet ik dat ik me heb vergist. Hij is in de buurt, vlakbij zelfs, maar niet daar waar ik dacht. De glinstering die ik zag, werd veroorzaakt door een reflectie. Ik vervloek mezelf. Schuin achter me blijft hij staan en ik voel het koude metaal op mijn hoofdhuid.

“Rustig, Peter, geen paniek, we lossen dit op.” Een fractie van een seconde overweeg ik een actie en verwerp het te riskante idee. “Waarom vluchtte je weg?’ Het is even stil. “Peter? Waarom?”

“Als jullie een tweede keer komen, is dat niet alleen om te praten,” zegt hij.

Hij reageert, klinkt redelijk. Dat is goed. “Oké, ik snap het, maar dit is echt niet nodig. Natasja heeft je een brief geschreven, een week voor haar dood, en die willen we je geven.”

“Ik geloof je niet. Ik kan beter de trekker overhalen en maken dat ik wegkom.”

“En wil je mijn collega’s daarna ook overhoopschieten? Peter, denk na.” Ik draai me behoedzaam om, zet een stap naar achteren, en terwijl ik mijn rechterarm laat zakken, strek ik de linker naar hem uit. “Toe, geef me je pistool.” Al is zijn blik dreigend, er glimmen zweetdruppels op zijn voorhoofd en dat stelt me gerust. “Peter? Zullen we er rustig over praten?”

Ik merk dat zijn aandacht even verslapt en dat moment wil ik aangrijpen om hem te verrassen met een harde trap in zijn maag. Maar hij is me voor. Een knal, tegelijkertijd de pijnexplosie in mijn lichaam. Een tweede schot. En dan wordt alles donker.

Lees de rest van het verhaal in de nieuwe Flair die nú in de winkels ligt.

Over de auteur

Corine Hartman (1964) is bestsellerauteur van onder meer de Jessica Haider-serie en De IJsselmoorden-trilogie. Haar boeken werden meermaals genomineerd voor De Gouden Strop en ze won tweemaal de Hebban Award.