Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Health > In vertrouwen: ‘Ik waste mijn handen tot bloedens toe’

In vertrouwen: ‘Ik waste mijn handen tot bloedens toe’

In vertrouwen: ‘Ik waste mijn handen tot bloedens toe’

‘Was je handen stuk.’ Hoe vaak hebben we Mark Rutte dat inmiddels horen zeggen?  Voor Annemarie (36) is het een pijnlijke oproep. Ze is doodsbang voor besmetting en lijdt al haar halve leven aan smetvrees.

‘Met een dwangstoornis op een kinderdagverblijf werken, is zo mogelijk de slechtste combinatie die je je kunt bedenken. Naast de angst voor alle ‘viezigheid’, voelde ik ook een extreme verantwoordelijkheid. Wat als de kinderen iets zou gebeuren? Ik zorgde ervoor dat alles piekfijn in orde was: deed de afwas soms twee keer, omdat ik bang was dat ik niet met afwasmiddel had afgewassen maar met iets anders. Toen een moeder iets zei over de gevaren van een koortslip, voelde ik me dagenlang slecht bij elk plekje dat ik rond mijn mond zag verschijnen. Ik waste mijn handen steeds vaker, om alles schoner dan schoon te krijgen. De smetvrees, waarvan ik lange tijd geen idee had dat dat het was waar ik aan leed, kwam tezamen met de dwang om alles te controleren. Rond mijn twintigste levensjaar kwam dit allemaal tot uiting. Ik controleerde meerdere keren of deuren wel op slot zaten, en of het gas uit stond. Bij het kinderdagverblijf kon ik niet langer blijven. Door de angsten werd het onmogelijk om mijn werk te doen. Hoe meer ik toegaf aan mijn angst, hoe sterker deze werd.’

Steeds verder vervreemd

‘Ik was altijd al angstig en door pesterijen op de middelbare school was er weinig over van mijn zelfvertrouwen. Het is uiteindelijk een combinatie geweest van karakter, omgeving en erfelijkheid: in mijn familie is een aanleg aanwezig voor psychische problemen. Door mijn handen te wassen, kreeg ik een gevoel van opluchting. Voor heel even leek het alsof ik alles onder controle had, al duurde dat helaas nooit lang. Dat bevredigende gevoel maakte wel dat ik het elke keer weer opnieuw deed. Tientallen keren per dag. Het gevoel dat alles zo schoon was dat er even niets mis kon gaan, was me meer waard dan m’n handen die ik tot bloedens toe waste.’

‘Langzaam ging het van kwaad tot erger: zwembaden bezocht ik niet meer, en openbare toiletten ook niet. Ook een bezoek aan de tand- of huisarts of op een bankje in het park zitten, werd steeds moeilijker. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om mijn katten het huis uit te doen, maar kon ze wel wat aandoen als ze een troep van het huis maakten. Als ik nadacht over hoeveel mensen spullen aanraakten en de enorme hoeveelheid bacteriën die ze achterlieten, werd ik ontzettend angstig. Mijn ogen scanden het oppervlak, en bij het kleinste vlekje werd ik onrustig. Het zorgde ervoor dat ik langzaam steeds verder vervreemd raakte van het normale leven.’

Bang voor bloed

‘Het ergste was mijn angst voor bloed. Hoe dat precies ontstaan is, weet ik niet. Ik herinner me nog wel een verhaallijn in Goede tijden slechte tijden waarin een personage besmet raakte met HIV door het bloed van iemand anders. Daardoor werd het mijn grootste angst om iemand anders ziek te maken of zelf ziek te worden. Die angst nam me volledig in beslag: zo erg dat ik niet bij ziekenhuizen naar binnen durfde om daar bij iemand op bezoek te gaan. Ook ongesteld zijn, was elke maand een kwelling. Ik waste mijn handen nóg vaker en was als de dood om door te lekken. Als dat een keer gebeurde, was ik in alle staten. Uiteindelijk besloot ik aan de prikpil te gaan, om niet meer ongesteld te hoeven worden. De angst om zelf HIV of aids te krijgen, hield me zo in de greep dat ik mezelf lange tijd heb wijsgemaakt dat ik de ziekte zelf ook had. Dit was praktisch gezien onmogelijk: seks had ik niet en omdat ik zo hygiënisch leefde, zorgde ik ervoor dat ik nooit met het bloed van iemand anders in aanraking kwam. Mijn huisarts zag hoe ik hieronder leed en heeft me op een gegeven moment een test laten doen voor mijn eigen gemoedstoestand. Terwijl ik de uitslag hoorde, die uiteraard negatief was, dacht ik na over de incubatietijd. Daarmee overtuigde ik mezelf wederom dat ik aids had: het zou een paar maanden duren voordat dat aangetoond kon worden.’

‘Mijn familie en vrienden zagen met lede ogen aan hoe ik veranderde. Dat er iets niet klopte was duidelijk, maar niemand kon er precies de vinger op leggen wat er met me aan de hand was. Vooral mijn ouders waren erg ongerust. Ik veranderde van een enthousiast meisje in iemand die smoesjes bedacht om ergens niet bij te hoeven zijn. Ze zagen dat ik met de dag ongelukkiger werd, maar konden niet meer doen dan toekijken. Toen ik op een avond mijn moeder in bed hoorde huilen, knapte er iets. Ik wist net zomin als zij wat er aan de hand was, maar wel dat ik eerlijk moest zijn over wat er door mijn hoofd ging. We besloten samen dat ik naar de huisarts moest, waarna de diagnose gesteld werd: ik had een dwangstoornis, die zich met name uitte in smetvrees. Door de diagnose wist ik eindelijk wat er met me aan de hand was. Naar vrienden en familie ben ik altijd open geweest over mijn stoornis. Ik vind het erg vervelend dat er nog zo’n taboe rust op psychische problemen. Natuurlijk ben ik ook weleens tegen onbegrip aangelopen, maar de meeste mensen in mijn omgeving reageerden heel lief en begripvol. Gelukkig kon ik bij hen mezelf zijn.’

Dit verhaal heeft eerder in VIVA gestaan
Tekst: Loeka Oostra | Beeld: Unsplash