Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Health > Imke Gilsing (44): ‘Mijn grootste angst is ooit weer in de isoleercel te belanden’

Imke Gilsing (44): ‘Mijn grootste angst is ooit weer in de isoleercel te belanden’

Imke Gilsing (44): ‘Mijn grootste angst is ooit weer in de isoleercel te belanden’

Tien jaar geleden dacht Imke Gilsing (44) dat ze elfje Tinkerbel was en getrouwd met Jelle Brandt Corstius. Haar psychose bleek zo heftig dat ze gedwongen werd opgenomen op de psychiatrische afdeling in het ziekenhuis.

‘Vlak voordat ik een psychose kreeg, had ik veel meegemaakt. Mijn relatie van elf jaar was uitgegaan, ik kreeg een burn-out na deze relatiebreuk en er was een reorganisatie op mijn werk, waardoor mijn contract als projectcoördinator bij een natuurbeschermingsorganisatie niet zou worden verlengd. Alles kwam tegelijk. Achteraf was mijn psychose een reactie op deze stressvolle situatie. Bovendien besefte ik niet dat ik bepaalde dingen uit mijn jeugd niet had verwerkt.

Mijn ouders hadden een heel slecht huwelijk en mijn vader was vaak dominant en agressief tegen mijn moeder en mij. Hij was een ramp als vader. Ik had mijn woede en teleurstelling daarover 34 jaar lang opgepot. Na een gesprek met mijn baas over alle dingen die op dat moment speelden in mijn leven, ben ik op zijn aanraden naar een spiritueel centrum gegaan voor een retraite. Daar organiseerden ze een energieweek om weer ‘lekker in je vel te komen’.  In dat centrum ben ik in een week tijd knetterpsychotisch geworden.’

Elfje Tinkerbel

‘De eerste waan die ik had, was ’s nachts. Ik droomde met mijn ogen open dat ik het elfje Tinkerbel was en boven m’n bed vloog. Ik zag en hoorde alles: ik hoorde zelfs dat belletje. De volgende ochtend kwamen we met de groep bij elkaar en zei ik: ‘Ik ben vannacht Tinkerbel geweest, van Peter Pan.’ De mensen van de leiding namen me apart en zijn buiten met me gaan wandelen in de hoop dat ik bij zou trekken. Maar het werd alleen maar erger. Later in die week hadden we een meditatiesessie in de kapel. Plots stond ik op, ging voor op het podium zitten en zei: ‘Ik ga hier een boek over schrijven.’

‘Ik had niet door dat er iets mis met me was, dat kwam pas achteraf’

Uiteindelijk heb ik inderdaad een boek over mijn psychose geschreven; achteraf gezien hadden mijn hallucinaties vaak raakvlakken met de werkelijkheid. De leiding had door dat ik psychotisch was en belde de GGD. Die kwamen langs, maar ik wilde de antipsychotica die ze aanboden niet innemen. Ik ben niet zo van de pillen en had op dat moment niet door dat er iets mis met me was – dat kwam pas achteraf. Op een gegeven moment belde de leiding mijn ouders. Zij schrokken zich natuurlijk dood. Ik trok bij m’n moeder in en kreeg steeds meer gekke wanen en hallucinaties en had steeds minder heldere momenten. Zo had ik het gevoel dat ik in een levensechte webcam zat en dat veel mensen die ik kende, mij konden zien en horen. De GGZ kwam langs om me te observeren. Het was duidelijk voor ze dat ik heel erg psychotisch was, maar ik wilde nog steeds geen antipsychotica slikken. Op dat moment konden ze dus niks doen.’

Verliefd op Jelle

‘Soms had ik door dat ik van het padje af was, want dat was ik vrijwel de hele dag gedurende die weken, en soms niet. Dan was het alsof ik droomde met mijn ogen open – zo voelt het als je in een psychose zit. Op een gegeven moment kreeg ik een waan waarbij ik heel boos werd op m’n vader. De opgepotte woede die ik al mijn hele leven naar hem toe had, kwam naar boven. Ik dacht dat ik een dier was en kroop in de badkamer over de grond.

Ik voelde me heel eenzaam. Vlak voor mijn psychose had ik een boek gelezen van Jelle Brandt Corstius, dat me erg had geraakt. Tijdens die waan in de badkamer dacht ik dat Jelle in de kat van mijn moeder zat. De kat lag naast de badkamer te slapen. Ik vroeg: ‘Jelle, ben je bij me?’ en heb ’m ten huwelijk gevraagd. Hij zei ‘ja’ en ik was heel opgelucht.’

Gedwongen opgenomen

‘Vervolgens ben ik met kleren aan in het warme water gegaan. Op dat moment hoorden de medewerkers van de GGZ die er weer waren mij roepen dat ik mezelf van kant ging maken. Ik heb dat nooit echt willen doen, maar ik wilde af van al die mensen die me zogenaamd kwamen helpen. Maar omdat ik dat zei, konden ze me gedwongen opnemen; ik vormde een gevaar voor mezelf. Uiteindelijk ben ik met m’n vader vrijwillig naar het ziekenhuis gegaan toen ze zeiden dat ik er mocht uitrusten. Eenmaal daar kwam ik erachter dat ik er niet was om uit te rusten. Ik werd in de isoleercel gezet op de psychiatrische afdeling.’

Doodsbang en woest

‘Alles werd van me afgepakt. Lenzen mocht ik niet in en ik mocht geen bril op. Ik had geen kleren aan, alleen een scheurkleed. Er stond alleen een bed met een simpel matras en een stoel van plastic. Het was kil en koud. Ik had een doos waar ik mijn behoefte in moest doen, maar dat begreep ik niet. Af en toe had ik door dat er iets niet klopte, dan had ik even een helder moment. Ik was op deze heldere momenten doodsbang en tegelijkertijd woest dat ik opgesloten was en niet wist waarom en voor hoe lang.

‘Ik was doodsbang en woest dat ik opgesloten was en niet wist waarom en voor hoe lang’

Ik werd helemaal hysterisch en daardoor werden de wanen erger. De verpleegkundigen leken me niet te snappen. Ik wilde maar één ding: eruit. Ik heb vaak geprobeerd te ontsnappen. Dan rende ik snel naar buiten als iemand de deur opendeed. Met drie mensen pakten ze me dan op en gooiden ze me er weer in. Uit woede ging ik overal poepen in de cel en m’n urine rondzwieren. De verpleging keek regelmatig door het raampje en bracht eten en drinken langs. Ik zag ze vaak met medelijden naar me kijken en ze vonden het ook een beetje gênant. Ik werd niet gezien als iemand die leed en liefdevolle zorg nodig had. Ik werd gezien als ‘een gevaarlijke gek’. Ik werd alleen maar zieker en getraumatiseerder in die cel.’

Trippend in de cel

‘Als mijn vader of moeder langskwam, klampte ik me aan ze vast. Mijn moeder was in alle staten als ze op bezoek kwam. Ze was het totaal niet eens met hoe er met mij werd omgegaan. Ze had in goed vertrouwen haar kind meegegeven en nu zat ik al dagen opgesloten. Ze kreeg niet eens de psychiater te spreken. Als je daar eenmaal bent opgesloten, kan niemand meer iets voor je doen. Ze zag dat het alleen maar slechter met me ging, maar voelde zich niet gezien en gehoord. Mijn vader vond het vooral ongemakkelijk om mij zo te zien. Ons contact is niet goed en hij hield zich afzijdig.

Ondertussen zat ik maar te trippen en om Jelle te schreeuwen. Ik was ervan overtuigd dat hij me zou komen redden uit de isoleercel. Ook dacht ik dat er camera’s in mijn cel hingen en ik de hoofdrol speelde in een interactieve live spelshow: ‘Een dag uit het leven van Tinkerbel’, waarin ik het elfje Tinkerbel was en het publiek moest raden wie mijn Peter Pan was. Mijn exen speelden de mystery guests. Als het publiek – dat live naar me keek in de isoleercel – het zou raden, werd ik bevrijd. Daarnaast had ik in die cel nog andere wanen. Ik dacht dat er een heel team was samengesteld onder leiding van mijn baas Jaap. Daar zaten allemaal mensen in die me zouden komen redden, onder wie een vriendin, Nelson Mandela en schrijfster Connie Palmen. Het was één gekke brei van fictie en personen uit mijn eigen leven.’

Tinkerbel

Imkes boek ‘Een dag uit het leven van Tinkerbel, het krankzinnige verhaal van mijn psychose’ is te koop bij onder andere bol.com. Wil je Imkes stichting steunen? Ga dan naar tinkerbellfamily.org en zet je handtekening onder het burgerinitiatief voor menswaardige zorg en doe een gift in de digitale collectebus.

Tekst: Karin Broeren | Beeld: Dirk-Jan van Dijk