Je bent hier: Home > Health > (EH)BO

(EH)BO

Health
(EH)BO

Op Koninginnedag kocht ik een fietsje voor Bo. Een tweedehands Loekie. Iets later speciale handschoentjes, met prinsessen erop, voor een goede grip en bescherming bij vallen. Afgelopen vrijdag een prinsessenhelm. Dat die helm 5 x zo duur was als het fietsje zelf vergeten we voor het gemak dan maar even. (Nou ja, die fiets was ook wel heel goedkoop natuurlijk, maar toch.)

Nu het afgelopen week vakantie was en Jippe wel gewoon op vrijdag naar de crèche ging kon ik eindelijk even met Bo fietsen oefenen. Normaal eigenlijk niet te doen als Jippe er ook bij is. Ja, op Jippe’s fietsje met zijwieltjes wel, maar los fietsen, echt léren fietsen… Daar moet nou eenmaal voor geoefend worden. En hoewel ik vaak vaders (meestal vaders ja) met 3- en 4-jarigen tochtjes zie maken, was dit bij ons nog nooit gebeurd.

Goed. Fietsen zonder zijwieltjes dus. Het moest er dus maar eens van komen. Veel kindjes van haar leeftijd kunnen het al, en ze wilde het zelf ook. Zelfs met zijwieltjes had ze, als het aan haar lag, al gewoon naast mij op straat, over de drukke weg dus, naar school willen fietsen. En als Jippe straks niet meer in het voorzitje past heb ik toch een probleem. Dus los van het feit dat het voor Bo leuk is als ze zelf kan fietsen, is er ook een praktische reden. (Ik oriënteerde me laatst eens op zo’n aanklikfietswielding en dat was me toch dúúr!)

Oefenen dus. Zij fietste en ik hield haar vast, onder haar okseltje. Het ging best goed, en het bleek vooral een goede conditietraining voor mama, want die rende dus als een gek mee, ondertussen uitstekende struikjes, vreemd geparkeerde fietsen en bankjes op de stoep ontwijkend. Nog wiebelend met haar stuur riep ze regelmatig ‘Loslaten!’, maar dat leek me nog niet zo’n goed idee. ‘Eerst je stuur goed recht houden!’

Ook vóór haar kijken vond ze nog lastig. Regelmatig zag ze iets wat haar afleidde en dan keek ze op zij of naar achteren. Of ze fietste zo hard dat haar voeten van de trappers raakten en probeerde dan met haar voeten te remmen. Nog even oefenen dus. En zo rende, duwde en hijgde ik de Regentesselaan over, ondertussen bemoedigend roepend hoe goed het al wel niet ging. Ook oefenden we even op het Regentesseplein waar ze herhaaldelijk ‘Los! Los!’ riep (wat met al dat verkeer eromheen dan ook weer geen goed plan was) en toen ik uitgehijgd was probeerden we het nog in wat andere straten.

Als je er zo druk mee bezig bent vraag je je werkelijk af hoe ál die mensen die je overal maar ziet fietsen in godsnaam allemaal fietsen hebben geleerd. Onvoorstelbaar dat iedereen zo begonnen is!
Zelf herinner ik me van vroeger alleen nog maar het ‘met losse handen’ proberen te fietsen. Van een hellinkje af vlak bij de tennisbaan in Nigtevecht. En dat mijn stuur toen opzij klapte, en de nagel van mijn grote teen ook. Brrr… ik kan er nóg misselijk van worden als ik er aan terugdenk.

Echt loslaten was nog eng. Soms een stukje. Soms moest ze haar fiets daarna weer van de grond rapen en het opnieuw proberen, maar nooit viel ze hard. En ze had gelukkig haar gloednieuwe helm op.

Toen ik de uitstekende stoeptegels en de her en der niet opgeruimde hondenstront zat was, keerden we richting een autovrije weg rond de Verademing, een stadspark hier vlakbij. Op een vrij glad stuk oefenden we en wilde ze weer los. Het ging beter.
‘Loslaten!’ riep ze enthousiast. ‘Loslaten!’
Ik liet los. Ze trapte en trapte, en ik rende en rende, en ze lachte en glom van trots.
‘Ik kan het! Ik kan het!’ riep ze, blij als ze was.

Totdat… ze heel lullig viel. Ze viel niet eens hard, maar vooral onhandig. Haar fietsje ging eerst. En ik stond er eigenlijk al bij. Maar het stuur stak schuin omhoog. En daarna knikte Bo met haar hoofd naar beneden, vol met haar kinnetje op het omhooggestoken stuur. Een stuur waar de handgreepjes niet meer helemaal goed van waren. Handgreepjes die ik nog graag had willen vervangen, maar wat ik nog niet gedaan had…

Het kennelijk heel scherpe ijzer van de uiteinden was in haar kinnetje terechtgekomen. Als een mes dat zachte huidje door.
Ze begon te huilen. Ik keek. Bloed. De afdruk stond erin. Een half cirkeltje.
Snel pakte ik een zakdoekje. Wilde voorzichtig deppen, maar dat mocht niet.

Ik wilde haar optillen, maar dan kreeg ik de fiets niet mee. Gebukt, met het fietsje in mijn ene hand (wat voor geen meter loopt), en mijn arme kleine dappere schat aan mijn andere hand, liepen we gehaast terug naar huis. Dikke tranen biggelden over haar wangen. Haar prinsessenhandschoentje, aan de binnenkant zwart, hield ze tegen de wond. Mensen keken ons na.

‘Mama maakt het schoon,’ zei ik geruststellend. ‘Rustig maar.’
Ook al mocht ik dat niet (‘Nee, niet aankomen!’), moest ik er toch naar kijken. Voorzichtig depte ik het wondje met een watje met koud water uit de waterkoker. En toen zag ik het. Het was niet gewoon een klein wondje, of een schaafwondje, het was een diepe snee. En ik kon het halve cirkeltje zelfs een stukje ‘open klappen’.

Ik wist meteen (en wat ben ik blij dat je dat op zo’n moment kennelijk goed inschat) dat er meer moest gebeuren. Misschien moest het wel gehecht.
Rustig zei ik: ‘We moeten even naar de dokter lieverd.’
‘Nee, niet naar de dokter!’
‘Het moet lieverd. Ik zal even bellen. Kom maar hier.’

Met mijn huilende meisje op schoot belde ik de dokter. Ze had geen dienst meer. Haar 06-nr dan? Mag dat in zo’n geval? Ik belde, ik moest íets. Ze bleek niet in de buurt, dus was de eerste hulp de beste optie, ‘daar kunnen ze het plakken.’
Plakken?
Op naar het Rode Kruis-ziekenhuis dus, zoals ik het nog steeds noem.
‘We gaan naar het ziekenhuis waar jij geboren bent, lieverd.’

En zo stapten we op de fiets. Bo met een nieuw doekje tegen het bloeden (het spoot er gelukkig niet uit) en ik croste -met blogbuuf Esther’s recentelijke nog veel engere verhaal in m’n hoofd, zoals dat dan gaat- naar het ziekenhuis. Snel belde ik Pier in verband met Jippe, het was immers al tegen vijven, sprak zijn voicemail in en racete verder.
Onderwijl ‘Gaat het Bo?’ en ‘Het komt goed schatje!’ zeggend. Ze huilde al niet meer.
(De laatste keer dat ik in zo’n vaart naar ditzelfde ziekenhuis racete was toen ik tien minuten later bevallen zou zijn; alleen toen met de auto, dat dan weer wel.)

Ik zette mijn fiets op slot en dribbelde met Bo naar binnen. Toen ik bij de balie stond en wilde vertellen wat er gebeurd was sloeg mijn stem over. Tranen kwamen. Shit. Ik praatte door, slikte, veegde tranen weg en zei hoe stoer Bo wel niet was. Ik knuffelde haar en baalde dat ik zelf ineens aangedaan was, want ik wilde haar niet bang maken. Gelukkig zag ze het niet.

In de wachtkamer kwamen we tot rust. Bo pakte een boekje en ik nam haar op schoot. Ik zei dat ik vond dat ze heel goed had gefietst.
‘Je kán ‘t!’
‘Ja, maar het ging toch niet goed,’ concludeerde ze wijselijk; of perfectionistisch, dat kan ook.
‘Ik wil niet meer fietsen.’
Net toen ik daar op in wilde gaan, zei ze: ‘Als ik 6 ben ga ik het weer proberen, want dan moet je het wel echt kunnen, als je 6 bent.’
Ik vond het een dapper besluit. En voor die tijd zouden we wel zien, we konden het altijd weer eerst voorzichtig op Jippe’s fietsje proberen.


Ik maakte een foto van mijn meisje, als aandenken, en om aan Jippe te laten zien. Dat vond ze wel stoer.
Vlak erna verscheen een lief gezicht in een witte jas om het hoekje van de deur.
‘Bo?’

En even later lag ze daar, mijn lieve stoere meisje, op de behandeltafel, zonder te huilen.
‘We gaan het netjes dichtplakken,’ zei de dokter, ‘want je hebt een mooi gezichtje.’
Ik hield haar handje vast terwijl het wondje werd schoongemaakt, de ene dokter de stukjes huid bij elkaar hield en de andere er een druppeltje lijm tussen liet glijden. Zo doen ze dat tegenwoordig: lijmen.
Ze kreeg een pleister en een cadeautje (haar gezicht klaarde meteen op) en we fietsten terug, nog net op tijd om Jippe van de crèche te halen.

Hij zag het meteen. Wees naar de pleister.
‘Ik was in het ziekenhuis Jippe,’ zei Bo stoer.
‘… waar ik geboren was toen ik nog maar zo’n klein baby’tje was.’
Ik moest lachen.
‘En ik heb een cadeautje gekregen!’

Ook ’s avonds aan tafel begon ze er weer over.
‘Ik was naar de dokter geweest, Jippe. En jij niet hè? Dat durf jij niet hè? Maar je hoeft niet bang te zijn.’
Jippe keek vol bewondering naar zijn grote zus en nam weer een hap van zijn eten.

Inmiddels gaat het goed hoor. Ze heeft geen pijn, maar je ziet het nog wel natuurlijk. Het halve cirkeltje van het stuur staat nog in haar kin. Het is wat bobbelig en rommelig, maar hopelijk wordt dat straks gewoon een korstje (zoals de arts zei) en valt dat er vanzelf af. In elk geval mocht het drie dagen niet nat worden. Vandaag was de derde dag.
En natuurlijk regende het vanmorgen op de fiets…
Fijn.

Tja, niet alleen vallen hoort bij fietsen. Regen ook.

Shoppen is altijd een goed idee