Je bent hier: Home > Health > Denise blogt: eenzame mensen

Denise blogt: eenzame mensen

Health
Denise blogt: eenzame mensen

Het was zaterdagavond. Twee weken geleden, net voordat de hittegolf voorspeld was. Ik zat op de bank. De kinderen waren er niet en ik twijfelde net of ik nog weg zou gaan. Ineens hoorde ik een bonk. Of een, tja, wat was het eigenlijk? Een knal, nee. Een gek geluid. Iets tegen de muur of tegen een auto. Ik kon het niet thuisbrengen.

Ik stond op en keek uit het raam. Er lag een man op de stoep. Ik kende hem wel. Althans, kénnen niet, maar ik zie hem altijd voorbijschuifelen. Soms zeggen we gedag, meer niet, en soms ziet hij me niet eens.

Het is geen heel oude man of zo, maar er is iets in elk geval niet in orde met hem. Hij kan niet gewoon vlot lopen, kijkt altijd met een holle en schichtige blik. Hij is een beetje vreemd, en duidelijk verslaafd. Ik schonk meestal maar niet te veel aandacht aan hem.

Slechts één keer heeft hij ooit echt iets tegen me gezegd, toen ik een keer even koffie dronk op het bankje voor mijn deur: ‘Ik was bijna dood, buurvrouw!’
Later bleek dat hij een overdosis had genomen, maar het overleefd had.

Van achter het raam keek ik recht in zijn ogen. Deze keer had hij vooral een verschrikte blik in zijn donkere gezicht. Ik racete naar buiten. Daar lag hij, languit op de stoep. Ik trok hem omhoog. Pas later zei iemand dat je dat soms beter niet kunt doen; o ja, dat was waar ook, maar ik had het al gedaan.

Ik veegde wat straatvuil en blaadjes van zijn trui. Hij kon amper blijven staan.
‘Wat was je aan het doen?’ vroeg ik.
‘Een pakje melk kopen.’
Hij maakte aanstalten dat alsnog te gaan doen. Maar dat kon echt niet. Hij kon amper lopen!

Ik zette hem op het bankje voor mijn deur, ordonneerde hem te blijven zitten en liep weer naar binnen. Ik had drie pakken melk in de koelkast staan. Daar kon ik er wel een van kwijt.
‘Hier,’ zei ik. Maar zelfs een pak melk kon hij amper vasthouden.

Pas nog had ik de ambulance bij hem voor zien staan. Ik had hem erin zien gaan. Dat vertelde hij ook, dat hij net twee dagen opgenomen was geweest, maar dat ze niks konden vinden.
Ik deed mijn deur dicht en bracht hem naar zijn huis; welk nummer was het eigenlijk?

Hij moest de trap op geholpen worden. Ik zag niemand op straat die helpen kon, dus deed ik het zelf. Ik dacht dat hij één hoog woonde. Het viel niet mee. Hij hing meer tegen de leuning en de muur dan dat hij liep. Hij ging zitten, verloor een slipper, en na heel veel trekken, tillen en duwen had ik hem op de overloop. Mijn rug deed er pijn van.

Toen bleek dat hij nog hoger moest ordonneerde ik hem opnieuw te blijven zitten. Ik moest mijn telefoon halen, dan kon ik tenminste iemand bellen als het nodig was. Ik zag mezelf al met hem en al de trap af donderen.

Er was niemand op straat. Mijn directe buurman deed niet open. Wat moest ik? Ik haalde mijn telefoon en ging terug. Nóg een trap op. En nóg één. Hij woonde op zolder. Ondertussen stelde ik hem vragen. Of er iemand was die voor hem zorgt. ‘Niemand,’ zei hij. ‘Ik heb niemand.’ Ik weet dat een andere buurvrouw hem weleens helpt, maar treurig is het wel.

Eenmaal boven schrok ik pas echt. Je hoort weleens verhalen van mensen die zichzelf volledig verwaarlozen en in heel erge omstandigheden leven, nou, dit was er een. Mijn huis is zelden netjes en schoon, maar hierbij vergeleken…

Zakken met rommel. Twee matrassen op de grond, zonder hoes eromheen. Een rijtje potjes met pillen ernaast. Alles op een klein zoldertje. Voorzichtig maar onhandig ging hij op de matras liggen. Hij had pijn in zijn rug.

Ik keek naar het vieze aanrecht.
‘Waar is de koelkast?’
Hij had geen koelkast. Nou, dat zou lekker worden, dacht ik, die melk in die hitte. En híj in die hitte.

Ik vroeg of hij nog meer nodig had. Hij schudde van nee. Ik mocht weggaan. Maar o, wat voelde ik me rot. Het zat me niet lekker. Dit kon niet zo. Ik had niks met deze man, en wilde er ook eigenlijk niks mee te maken hebben, maar zo kon ik hem niet achterlaten. Zo kan deze man niet leven. Ik kan het ook niet oplossen, ik kan de zorg niet op me nemen, mijn eigen leven is al heftig genoeg, maar hier moest iets gebeuren!

Ik belde de politie. Die zouden even gaan kijken. Maar daar maakte ik me ook meteen druk om, hij kon de trap niet eens af nu! Ze belden en bonkten, maar hij kwam niet. De politie ging weer. Mijn rotgevoel bleef. Zin om nog uit te gaan had ik niet meer.

De dagen erop zat het me niet lekker. Straks was hij dood! Maar ineens zag ik hem weer lopen. Of beter gezegd schuifelen. Hij had een pak koffiefilters in zijn hand.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ik.
Zijn gezicht klaarde op.
‘Heel jofel van je dat je me geholpen hebt.’

Schrijnende gevallen. Eenzame, vervuilde mensen. Ze zijn er. Soms in je eigen straat. Mensen die ook kind zijn geweest, baby zijn geweest, ouders hebben gehad of ook heus andere tijden hebben gekend. Zullen we een beetje op ze letten? Juist ook in de vakantie?

Nog meer blogs van Denise lezen?

Shoppen is altijd een goed idee