Je bent hier: Home > Health > Denise blogt: Als ’s nachts de bel gaat

Denise blogt: Als ’s nachts de bel gaat

Health
Denise blogt: Als ’s nachts de bel gaat

Het was midden in de nacht. De bel ging. Ik schrok wakker. Even dacht ik: o nee, is het nú al ochtend, maar nee, dat was het niet. Ik keek op mijn telefoon: 3.00 uur precies. Had ik het wel goed gehoord?

Ja, de bel was echt gegaan, het akelige geluid klonk nog door in mijn gedachten. Ik kreeg een onaangenaam gevoel. Mijn lijf trilde. Mijn dochter – wier kamer aan de mijne vastligt – maakte een geluidje in haar slaap. Weer ging de bel.

Mijn hart bonkte in mijn keel. Ik ben eigenlijk nooit snel bang, maar dit voelde niet goed. Ik bedacht me dat ik de deur niet op slot had gedaan; misschien probeerde er iemand te checken of ik thuis was en binnen te komen!

Zachtjes stond ik op uit bed. Ik hield mijn hand bij het lichtknopje van de slaapkamer. Als ik ook maar iets hoorde, zou ik het aanklikken. Dat was dan meteen vanaf de gang te zien, want ik slaap in het verlengde van de ingang; mijn huis is eigenlijk een lange pijpenla.

Het bleef stil. Stond er nog iemand? Ik rilde en moest naar de wc. Daar deed ik toch het licht maar aan. Op de wc dacht ik dat het ook iemand kon zijn die ik kende, iemand die op de een of andere manier een huissleutel kwijt was of zo. Als ík ’s nachts onverhoopt zonder sleutel zou komen te zitten, zou ik ook heel blij zijn als iemand open deed. Maar ja, ik wist het niet zeker. Straks deed ik open en duwde een enge vent me opzij en drong naar binnen. Je hoort weleens van die verhalen…

Ik had het akelige gevoel dat er nog steeds iemand stond. De deur alsnog op slot draaien durfde ik niet. Een kijkgaatje had ik niet. Bij de brievenbus vragen: ‘Wie is daar?’ Of ‘Ga weg!’ roepen leek me ook niet slim.

Als het wél een vriend, vriendin, buurman of buurvrouw was, zouden ze toch wel zachtjes zeggen wie ze waren? Dat zou ik althans doen. Of zou ik dat niet durven? Misschien wel niet. ’s Nachts aanbellen zou ik denk ik ook niet durven. Maar dan zou ik in elk geval een berichtje sturen. Snel checkte ik mijn Whatsapp. Geen nieuwe berichten. Ik overwoog de buurman te appen of hij of zijn vriendin het soms was geweest. Of om te vragen of er bij hen ook was aangebeld, maar dat deed ik toch maar niet.

Vanuit mijn slaapkamer zag ik dat er nog licht bij een van de buren brandde; hij werkt altijd tot laat. Ik kon er natuurlijk naartoe gaan, maar ook dat durfde ik niet.

Waarom was ik nou ineens zo bang? Ik ben nooit bang ’s nachts! In de stad, op straat, en zeker op de fiets, ik ben nooit bang in het donker! Ik houd juist wel van de stad in de nacht.

Ik moest hoesten; ik hoestte zo zwaar mogelijk en moest toen lachen om mezelf, maar zelfs dat hielp niet. Ik ging maar weer in bed liggen, maar merkte dat ik nog steeds trilde. Ik kon niet meer slapen. Voor zover het ging probeerde ik mezelf gerust te stellen met de gedachte dat het vast gewoon iemand was geweest die ik wél kende, maar dat diegene nu vast wel een oplossing zou hebben gevonden.

Totdat de bel nóg een keer ging. Het harde geluid ging door merg en been. Moest ik 112 bellen? Nee, dat zou belachelijk zijn. Als iedereen dat zou doen bij wie er ’s nachts wordt aangebeld… Zachtjes liep ik naar de kamer. Misschien kon ik stiekem langs het rolgordijn kijken wie er stond. Misschien was het wel die vreemde overbuurman die jaren geleden ook wel eens aanbelde. Maar ik durfde ook het rolgordijn niet opzij te trekken; ik was bang in een paar enge ogen te kijken.

Ik stelde mezelf gerust dat iemand zich misschien gewoon vergist had, op de verkeerde bel gedrukt had. Bij de buren van twee hoog komen immers altijd best veel mensen over de vloer.

Wéér liep ik terug naar mijn bed. Ik moest echt slapen. Ik zette bij de aantekeningen in mijn telefoon dat ik 3x gebeld was tussen 3.00 en 3.15 uur; zodat ik zeker wist dat het gebeurd was en ik straks niet zou denken dat ik het gedroomd had. Dan kon ik er morgen misschien toch nog iets mee.

Toen mijn dochter om 6.00 uur wakker werd, had ik het gevoel amper geslapen te hebben. Een paar uur later postte ik er een berichtje over op Facebook. Een buurman en twee buurvrouwen reageerden; zij waren het niet. Ze hadden ook niks gehoord. Ik appte mijn buurman aan de andere kant. Sorry, schreef hij. Hij was het geweest. Hij had zonder sleutel gestaan, en zonder telefoon, die binnen lag. Hij had zich niet gerealiseerd dat ik zou schrikken. Maar mocht ik nog eens de bel horen en willen weten wie er zou staan, dan mocht ik hem altijd appen. Dan zou hij gaan kijken. Kijk, dat was fijn.

Afgelopen weekend, de nacht van 1e op 2e Paasdag, ging de bel weer. Ik was al zo moe vanwege aanhoudende privéproblemen en nu werd ik wéér wakker gebeld. Mijn zoontje, die bij mij in bed lag, plantte een been in mijn buik en sliep verder. Ik rilde.

Iets minder bang dan de vorige keer sprak ik mezelf toe dat het vast de buurman was. Maar… Een uur eerder was ik al wakker geworden omdat ik hem en zijn (ex?)vriendin ruziënd thuis had horen komen. Dus ze waren al binnen. Of had de een de ander op straat gezet? Met mijn vermoeide hoofd besloot ik te appen of hij het was. Hij appte terug dat ‘het opgelost was’.

Ik lag nog zeker een uur wakker. De volgende ochtend bleek dat zij het was geweest. Omdat ze dacht dat ik iets met hem had. En ik niet alleen, heel veel vrouwen schreef hij. Ook dat nog! Ach mens, in de verste verte niet. Zucht, dit kon ik er niet ook nog bij hebben. Laat me met rust! Ik wil geen extra ellende! Zijn er nog normale mensen op de wereld?

Gelukkig wist ik toen nog niet dat ik vannacht maar twee uurtjes zou slapen. Bijna de hele nacht lag (of beter gezegd zát) ik wakker wegens intense pijn bij mijn slokdarm en borst. Een ‘onschuldig’ maar heel naar, benauwd en pijnlijk gevoel wat ik vaker heb.

Laat ik het maar zien als de zoveelste bel. Een alarmbel nu, een waarschuwing dat ik een pas op de plaats moet doen. Dus vanmiddag ga ik de zee opzoeken en de ongezonde stress uit mijn lijf jagen. Hoe graag ik ook wil doorwerken – ik lig al achter! -, het gaat even niet meer. En ik móet overeind blijven voor de kinderen, dat is het belangrijkst.