Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Health > Christin heeft een conversiestoornis: ‘Te veel spanningen legden mijn lichaam letterlijk plat’

Christin heeft een conversiestoornis: ‘Te veel spanningen legden mijn lichaam letterlijk plat’

Christin heeft een conversiestoornis: ‘Te veel spanningen legden mijn lichaam letterlijk plat’

Een avondje in de pizzeria begon heel leuk. Totdat Christin (30) opeens niet meer kon lopen. Niet veel later kreeg ze toevallen. Ze bleek een conversiestoornis te hebben: een psychische aandoening waarbij acute stress overslaat in lichamelijke klachten.

Tekst Maaike Helmer

“De eerste keer dat ik door mijn benen zakte, was tijdens een etentje met vrienden. Ik was achttien en zat in mijn laatste studiejaar in Duitsland – ik ben van oorsprong Duitse. Aan het eind van de avond merkte ik dat mijn benen ‘zacht’ werden. Het lukte me niet meer om ze voor elkaar 
te zetten. Het zit in mijn aard om nuchter met situaties om te gaan en ik raakte dan ook niet in paniek, dacht dat het door vermoeidheid kwam, of een gekke bloedsuikerspiegel. Misschien had ik wel te lang in dezelfde positie gezeten. 
Ik voelde me verder prima, dus écht ernstig zou het toch niet zijn? Door mijn ‘droge’ houding reageerden ook mijn vrienden niet overbezorgd. 
We braken de avond wel af, 
ze ondersteunden me naar 
de auto en brachten me naar huis. Daar schrok mijn moeder zich kapot: ‘Je kunt niet meer lópen? We gaan nú naar het ziekenhuis!’
Diezelfde avond zat ik inderdaad in het ziekenhuis en uiteindelijk heb ik er drie weken gelegen. Eerst werd gedacht aan drugsgebruik – wat niet klopte – en later kwamen 
allerlei mogelijke diagnoses voorbij, tot een hersentumor aan toe. Het eerste weekend daar kreeg ik een soort epileptische aanval. Het begon in mijn arm, ging naar mijn been en uiteindelijk schudde mijn hele lichaam. Ik kon nog wel gewoon praten. Daarna kreeg ik meer – en ernstiger – aanvallen. Soms waren ze 
zó heftig, dat ik het ziekenhuisbed kapot trapte. Ook al was er nog geen diagnose, 
de artsen gaven me voor de 
zekerheid anti-epileptica en als een aanval urenlang duurde of te veel van me vergde, kreeg ik spierverslappers. 
De medicijnen maakten me wazig, ik kan me dan ook 
niet veel van die drie weken herinneren. Ik werd van alle kanten doorgelicht, maar er werd niks gevonden. Bang was ik niet. Bij het wegstrepen van elke ernstige diagnose dacht ik vooral: dát is het gelukkig niet. En om me heen in het ziekenhuis zag ik ook aan andere 
patiënten: het kon altijd erger.”

Mannen met helmen

“Ik werd doorgestuurd naar een neurologisch centrum; misschien was het een spe
ciale vorm van epilepsie. Dat centrum was echt een heel andere wereld. Zo waren er volwassen mannen die helmen droegen; ze hadden zulke zware epilepsieaanvallen 
dat ze zichzelf bij een aanval dodelijk konden verwonden. Ik was er veruit de jongste. Omdat het ziekenhuis ver weg was van mijn woonplaats, konden mijn familie en vrienden nauwelijks langskomen. Ik voelde me eenzaam en nam een soort mentale afstand van de situatie, ik ging in de observeerstand.
Ook hier werd ik voortdurend onderzocht. Vierentwintig uur wakker blijven, stroboscooplicht om een epilepsieaanval uit te lokken voor het geval het epilepsie was, 24-uurs EEG om mijn hersenactiviteit te meten… Tijdens toevallen werd ik behandeld met zowel spierverslappers als placebo-injecties, iets wat me later werd verteld. Ze wilden alles testen. Na drie weken kreeg 
ik de diagnose van de behandelend neuroloog. Lichamelijk was er met mij niks mis: ‘Het is psychisch en het komt door stress.’ Een ‘zeldzame gril van de natuur’ werd het genoemd. Ik vond het maar vreemd. Zó veel stress had ik toch niet, met mijn studentenleventje? De arts wist ook niet zo goed waarom dit gebeurde. Hij leek zich er verder niet te veel zorgen over te maken, ik mocht naar huis. Als ik nou gewoon, door stress zo veel mogelijk te vermijden, dit een beetje in de hand zou kunnen houden, was het misschien best te handelen, dacht ik. Ik was 
allang dankbaar dat het 
‘alleen maar’ psychisch was en ik er niet aan doodging.”

Systeemcrash

“Ik verhuisde naar Nederland en begon met mijn studie 
psychologie in Maastricht. 
De aanvallen begonnen gelukkig wat af te nemen. Ik had 
ze maandelijks en mijn huisgenoten en vrienden wisten ervan. Eens in het jaar bezocht ik mijn neuroloog in de stad waar ik was opgegroeid en dat was het. Omdat ik er zelf niet dramatisch over deed, deden anderen dat ook niet. Dit hoorde bij mij, zoals anderen een versleten heup hebben, 
of een lui oog. Er viel mee te leven. Meestal hoopte het 
zich op tot een moment dat 
er ruimte was om een aanval te krijgen. Thuis bijvoorbeeld. Ik wist dat ik rustig moest gaan liggen, uit de buurt van scherpe meubels, en moest wachten tot het schudden voorbij was.
En toen, in mijn derde studiejaar, kwam die middag dat ik een aanval voelde opkomen tijdens een college. Ik raakte in paniek, redde ik het om thuis te komen? En: dit kon toch niet mijn hele leven zo doorgaan? Straks had ik een baan, dan kon ik toch ook 
niet zomaar weggaan? Ik 
besloot het opnieuw tot op 
de bodem te laten uitzoeken, zodat ik tenminste écht wist wat ik ertegen kon doen.
Wat volgde: tien weken in 
een epilepsieziekenhuis in het Duitse Bethel, waar ze ook een afdeling hadden waar mensen werden onderzocht die wel toevallen hadden, maar niet de diagnose epilepsie. Mijn arts daar kwam na diverse onderzoeken tot de conclusie dat het leek alsof er sprake was van dissociatie. Volgens hem leefde ik vooral in mijn hoofd. Als ik een innerlijk conflict had, leek ik 
uiterlijk onbewogen, maar vanbinnen crashte het systeem en legden de spanningen mijn lichaam letterlijk plat. Het klonk wel als mij, ja. Toen ik me er later meer in verdiepte, kwam ik erachter dat er een Nederlandse naam voor is: een conversiestoornis (in Duitsland wordt het een dissociatiestoornis genoemd, red.). Alles viel op zijn plek: 
ik dissocieerde inderdaad 
onder spanning. ‘Is er iets 
gebeurd toen je heel jong was waardoor je met dat loskoppelingen bent begonnen?’ vroeg de arts. En toen dacht 
ik aan mijn oom.”

Het kan altijd erger

“Mijn moeder was pas twintig toen ze mij kreeg en toen ik vier was, was mijn oom twaalf. We speelden vaak samen, maar mijn oom ging – weet 
ik nu – over diverse grenzen. Zo moest ik aan hem zitten, op intieme plekken. En ik 
herinner me dat ik een keer tijdens het avondeten aan mijn moeder vertelde dat 
ik hem moest aanraken op 
bepaalde plekken en dat ze daar eigenlijk nauwelijks op reageerde. Zo erg was het dus niet, dacht ik. En die gedachte is blijven hangen. Wat ik níét wist, is dat zij het niet nog traumatischer wilde maken voor mij en het daarom in vertrouwen met mijn oom heeft besproken. Helaas haalde dat niets uit; het is daarna vaker gebeurd. Pas toen mijn moeder op mijn twaalfde een briefje vond waarin ik het 
had opgeschreven – ik had in een tijdschrift gelezen dat het opschrijven van vervelende gebeurtenissen hielp bij verwerking – hield het op. Dit 
nadat ze het opnieuw met hem had besproken en hij 
vertelde dat hij vroeger ook was misbruikt en inmiddels in therapie was. Desalniettemin moest ik nog steeds mee naar familieverjaardagen waar hij ook kwam. Mijn moeder heeft het allemaal goed bedoeld, ze wilde vooral dat het niet te ‘groot’ zou worden voor mij, maar deze houding gaf mij al vanaf jonge leeftijd het gevoel dat wat ik voelde niet echt 
belangrijk was. Ik ontwikkelde een copingstrategie die je kunt samenvatten als ‘het kan altijd erger’. Dus, scheidden mijn ouders? Het kan altijd 
erger. Kreeg mijn moeder een angststoornis en straatvrees? Het kan altijd erger. Konden de nieuwe partner van mijn vader en ik het niet met elkaar vinden en besloot mijn pa het contact te verbreken? Het kan altijd erger.
Door deze strategie kon niets mij nog raken, maar de spanningen lieten zich natuurlijk niet opheffen en legden de boel gewoon plat. Tijdens mijn tijd in de kliniek kwam er een moment dat ik brak. In bed lag ik urenlang te huilen, ik wist het gewoon allemaal niet meer. Er werd mij een ‘inner child’-therapie aangeboden, die ervoor moest zorgen dat het kind van toen zich veilig kan voelen in de huidige 
wereld. Mijn volwassen ik moest het kind in mij leren troosten.”

Aangereden hond

“Twee jaar lang was ik bij 
een psycholoog in therapie. Ondertussen pakte ik mijn studie weer op en deed ik 
mijn derde jaar opnieuw, want gedisciplineerd en doelgericht als ik ben, wilde ik eigenlijk gewoon afstuderen. En dat lukte. In therapie leerde ik om tijd en ruimte te nemen voor de kwetsbare kant van me-zelf. De combinatie met mijn studie en een bijbaan was wel zwaar en uiteindelijk besloot ik dat ik klaar was om zelf verder te gaan, zonder hulp. En dat gaat goed, tot op de dag van vandaag. Tegenwoordig heb ik nog maar een paar keer per jaar een aanval, alleen na momenten die echt veel indruk maken, zoals een ruzie met mijn moeder of toen 
mijn hond overleed. Hij werd aangereden, ik was erbij. Ik dissocieerde onmiddellijk en handelde – dacht zelfs nog: die hond moet nu van de weg af – ook al wist ik wel dat het 
misschien beter was emoties toe te laten. Maar ja, probeer zoiets maar eens af te dwingen als je hebt leren overleven op een heel andere manier.
Als ik nu een aanval voel aankomen, probeer ik me met aandachtsoefeningen boven water te houden, focussen op het hier en nu. Daarna zorg ik dat ik een lange pauze pak, meestal ga ik in bed liggen. Dan komt er soms een toeval los en ga ik even flink tekeer in bed, maar tien minuten. Meestal ben ik al snel weer hersteld. De conversiestoornis is voor mij niet alleen maar negatief. Het is als een soort alarm dat me waarschuwt: nu even aandacht voor jezelf. En soms kan het best handig zijn. Ik werk als gedragskundige 
in de verstandelijk gehandicaptenzorg en daar kunnen emoties af en toe best hoog oplopen. Daar heb ik niet zo snel last van, zelfs niet na een vervelende confrontatie. Zolang het niet over mijn eigen innerlijke conflicten gaat, is mijn beheerstheid een voordeel. Bovendien kan ik me goed inleven; ik weet hoe 
frustrerend zowel je eigen geest en lichaam als het zorgsysteem kunnen zijn.
Natuurlijk zijn de aanvallen die ik nog heb niet leuk en zal ik er altijd een balans in moeten blijven vinden, maar ik ben op dit moment tevreden. En ach, er zijn altijd ergere dingen… Dat is nog steeds wat ik geregeld denk.”

Dit artikel is afkomstig uit VIVA 33. Abonnee worden of een losse editie van VIVA bestellen? Klik hieronder:

»Bestel VIVA online | Klik hier «