Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Geen categorie > Miriam woont in de wildernis: ‘Wat ik de hele dag doe? Leven’

Miriam woont in de wildernis: ‘Wat ik de hele dag doe? Leven’

Miriam woont in de wildernis: ‘Wat ik de hele dag doe? Leven’

Geen telefoon, geen internet, maar ook: geen huis. Miriam (36) heeft de mensenwereld een aantal jaar geleden gedag gezegd en leeft met Peter (66) in de wildernis van Nieuw-Zeeland. “Het duurde lang voordat ik aan het ijskoude water van de bergen gewend was.”

“Maandag, dinsdag, woensdag: de dagen van de week bestaan niet voor mij. De tijd? Wat er gebeurt in de mensenwereld? Hoe het met mijn familie gaat? Ik heb geen flauw idee. Peter en ik staan op als de zon opkomt en gaan slapen als ie weer onder- gaat. Overdag zijn we bezig met leven. Jagen, koken, water zoeken, wassen en weer eten maken. Koken op vuur – dat je zelf moet maken – duurt uren: de natuur vertraagt je.”

Geen haast

“De Miriam in Nederland was sportief. Een atletiektalent. Dag en nacht was ik bezig met die sport, sinds mijn veertiende trainde ik 7 keer per week. Ik won veel nationale en internationale kampioenschappen, was mega-fanatiek, altijd gefocust op m’n carrière. Feestjes? Drank, drugs? Nee, ik lag altijd rond 9 uur in bed. Het was een enorm hectisch bestaan. Ik leefde van wedstrijd naar wedstrijd en volgde daarnaast een hbo-studie aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Hoefde ik niet te studeren of te trainen, dan stond ik in de sportschool voor extra krachttraining. Mijn hele dag, van begin tot eind, was volgepland.

Totdat ik 21 werd en niet meer vast wilde zitten aan een plek of een sport. Het moest helemaal anders. Ik koos voor een reis naar India, simpelweg omdat ik er veel goede verhalen over had gehoord.

Daar stond ik dan. Om 12 uur ’s nachts in mijn eentje, bepakt en bezakt, in Bombay. En ik vond het geweldig. Het ging allemaal zo vanzelf, en ik voelde me vrij en veilig. Om zo lang mogelijk te kunnen reizen, leefde ik goedkoop. Dat betekent in India: op plekken eten waar alleen locals komen. En ineens zag ik daar, tussen alle Indiërs, een blanke man. Helderblauwe ogen – zo helder had ik ze nog nooit gezien – en slag in zijn lange haar. Op zijn armen zaten allemaal van die lieve, blonde haartjes. We raakten aan de praat, en bleven praten. Vooral over zijn reizen: Peter komt uit Nieuw-Zeeland, zegde zijn baan als professor aan de universiteit op en reisde de hele wereld over. Sinds 5 jaar woonde hij in India. In de winter beklom hij de Himalaya, in de zomer surfde hij in de zee. Ik werd verliefd op deze avontuurlijke man, hoewel hij 52 was en ik 22. Hij nam me mee de Himalaya op. Zonder gids, zonder pakezels, twee maanden lang, 500 kilometer, samen met lokale schaapsherders. Het was zwaar, ik heb er zelfs buiktyfus opgelopen en dacht: dit ga ik niet overleven. Maar het was de moeite waard, want wat wás het mooi.  Sinds die klim zijn Peter en ik niet meer van elkaars zijde geweken. Ons doel: op mooie plekken leven. Vol enthousiasme vertelde Peter me altijd over de ruige bergen in Nieuw-Zeeland. Hij dacht dat hij nooit meer in zijn geboorteland zou komen, maar ik zei: ‘Laten we daarnaartoe gaan.’ We reisden in alle rust over land, door Maleisië, Thailand, Indonesië en Papua-Nieuw-Guinea – want waarom haasten? We hadden alle tijd, niets of niemand wachtte op ons.”

Wassen in smeltwater

“We leven nu al een behoorlijke tijd als nomaden in de wildernis; eerst 5 jaar in de Nieuw-Zeelandse alpen, en een paar jaar geleden liepen we de 3.000 kilometer lange wandeling Te Araroa. In ons eerste jaar bracht een kleine helikopter ons eten eerst weg. Wij pasten er niet in en kwamen na 4 dagen lopen bij het trekkershutje aan. Dankzij onze voedselvoorraad konden we er 3 maanden leven. Soms wandelen we van plek naar plek, soms blijven we ergens een paar weken. Laatst waren we in een diepe vallei. Grote bomen – evergreens – prachtige bergen, een brede rivier in het midden. In de natuur kun je zo mooi zien dat de rivier alles bepaalt. Water is zo krachtig. Bijzonder vind ik dat.

We zoeken altijd een beetje bos op om ons tentje op te zetten. Voor hout, maar ook voor beschutting. Soms stormt het. Urenlang. We kruipen dan in dat tentje en wachten. Niks romantisch aan, hoor. Doodeng vind ik het. De grote bomen kraken. Soms komt er een tak naar beneden. Of we horen vanuit ons tentje een hele boom omvallen. Een noodtelefoon hebben we niet. Die doet het toch niet. Wel nemen we altijd een goede EHBO-doos mee. We wassen ons in het water dat we tegenkomen. Dat water komt regelrecht van de besneeuwde bergtoppen. Dat is dus heel puur, maar ook ijskoud. Het duurde lang voordat ik daaraan was gewend. Ik heb een stuk zeep bij me, waarmee ik ook af en toe de kampvuurgeur uit mijn haren was. En ik heb een Mooncup voor als ik ongesteld ben: dit siliconen ‘bekertje’ vangt het bloed op en is herbruikbaar. Deo en parfum gebruik ik niet, omdat het niet zo warm is in de bergen. Maar áls ik naar zweet ruik, was ik me meteen.”

‘Wie denkt dat wij vaak romantische seks in de natuur hebben: nee’

Knop om en jagen

“Dat smeltwater drinken we ook, en we koken ermee. En ja, soms komen we anderhalve dag geen water tegen tijdens onze trektochten. Benauwd krijg ik het er niet van, want ik weet: het komt altijd goed, je gaat echt niet zo snel dood. Maar ideaal is het niet. Wat eten betreft, hebben we altijd meel, rijst en linzen bij ons en als we dicht bij een zandpad zitten, wachten we tot er een auto langskomt die ons een lift geeft naar een bergdorpje. Daar kunnen we onze voorraad aanvullen. Konijnen vind ik het lekkerst, maar ik schiet op alles wat ik tegenkom: hazen, geiten, of een possum, een buideldier. Die laatste smaakt een beetje als een haas. De eerste keer jagen vergeet ik nooit meer. Ik had een val gezet en er zat een possum in. Het beestje leefde nog en ik wilde hem doodslaan. Met mijn ene hand hield ik zijn staart vast, met de andere mijn bijltje. Nou, dat ging allesbehalve gemakkelijk. Het duurde zo lang voor hij doodging – ik raakte hem niet goed tussen de ogen, besefte ik achteraf. Het was afschuwelijk: hij keek me aan met van die lieve, bruine oogjes. Ik heb staan janken, daar in de bush. En toen moest ik hem nog villen, maar door de paniek en stress was ik vergeten hoe dat moest. Nu is het routine. Zodra ik met mijn pijl en boog of geweer rondloop, gaat er een knop om. Dan ben ik erop uit om een dier te schieten. Ik volg z’n gangen, kijk waar hij heen gaat, sluip vooruit en wacht tot ik ’m kan raken.

Maar zonder geweer kan ik uren genieten van dartelende beesten. Gek, hè? Eten koken duurt lang: met ontbijten zijn we de hele ochtend bezig. Brood bakken duurt wel 2 uur en zelfs met een kopje thee kun je al een uur bezig zijn. Droog, hard hout sprokkelen, vuur maken, het brood roosteren. We maken een driepoot van hout en hangen de grote, ijzeren pan

eraan boven het vuur. Peter maakt altijd een fantastische curry van alles wat ik schiet, heerlijk. Als we andere jagers tegenkomen, kijken ze Peter altijd steevast aan als ze vragen: ‘Waar jaag je op?’ Maar bij ons is het dus net andersom. Ik kan er wel om lachen.”

‘Jagen, koken, water zoeken, wassen en weer eten maken. Dat is ons dagritme’

Familiereünie

“Soms komen we wat mensen tegen. We praten met iedereen en vaak meteen diepgaand. Juist omdat je weet: deze mensen zie ik nooit meer, ben je eerlijk en oprecht. Dat vind ik mooi. 1 keer vroeg iemand of we vader en dochter waren. Nu zou ik dat niet meer zo erg vinden, maar toen waren we nog niet zo heel lang samen. Ik schaamde me dood. Zoiets wil je toch niet horen? Soms merk ik wel dat Peter ouder is. Tijdens lange wandelingen moet hij meer rusten. Ik draag ook een zwaardere rugzak – hij leest de kaart. We zijn echt mega-voorzichtig, omdat we weten dat een gebroken been fataal kan zijn. Voor hem, maar ook voor mij, hoor. We reizen altijd langzaam, vermijden gevaarlijke rivieren. En er zijn geen enge beesten hier in de wildernis. Gelukkig maar. Er gaan maanden voorbij dat Peter de enige is die ik zie. Maar onze gespreksstof is sinds onze ontmoeting in India nooit opgeraakt. We hebben altijd lol. En Peter weet heel veel. We filosoferen veel, praten over boeken die we lezen: van Lao-Tse, een Chinese filosoof en Thoreau, een Amerikaanse schrijver. Ruzie maken we nooit, maar soms vinden we elkaar chagrijnig. ‘Jezus, wat ben jij chagrijnig vandaag,’ zeg ik dan. ‘Nee, jíj bent chagrijnig,’ krijg ik dan terug. Dan ga ik een dagje weg, even jagen.

Je kunt je voorstellen dat onze primitieve levensstijl zo veel langzamer is, vergeleken met de snelheid die de bewoonde wereld kent. 2 keer per jaar zijn we bij vrienden of Peters familie in Nieuw-Zeeland. Ik bel dan naar mijn thuisfront. Ik kom uit de Achterhoek, uit een hecht gezin. Ik heb altijd leuke telefoongesprekken met mijn twee zusjes, vader en moeder. Ze steunen mijn leefstijl, ze vinden het geweldig. En ja, natuurlijk vinden ze het jammer dat ik aan de andere kant van de wereld woon, maar ze begrepen me ook toen ze zelf een keer de schoonheid van Nieuw-Zeeland zagen. Mijn ouders zijn ook heel avontuurlijk: een paar jaar terug toerden ze nog met een busje door Europa. Ze wonen in Frankrijk. Mijn vader is nu 76. Als ze jonger waren geweest, hadden ze misschien willen doen wat ik nu doe. Eens in de 3 jaar ga ik naar Frankrijk; mijn ouders betalen soms een deel van mijn ticket. Zo lief. Dan blijf ik daar een paar maanden, terwijl Peter in Nieuw-Zeeland blijft. Het is heerlijk om ze te spreken. En ik vind het heel fijn dat mijn familie mijn naam gewoon normaal uitspreekt. Mijn moeder zegt altijd Mi-jam, zonder r. Dat klinkt vertrouwd.”

Winterslaap

“Als ik in de mensenwereld ben, moet ik wennen. Al die auto’s! Al die mensen! Van grote groepen word ik een beetje zenuwachtig en in een huis voel ik me opgesloten. En ik word er altijd verkouden. Grieperig. In de bergen ben ik nooit ziek. Als de natuur wakker wordt, word ik wakker. Gaat ze slapen, dan slaap ik ook. Het weer is het belangrijkste element in ons leven: dat bepaalt wat we gaan doen. Heel anders dan toen ik in Nederland woonde. Ik was altijd gehaast, deed alles op de automatische piloot. Zoals het merendeel van de Nederlanders, denk ik. In de winter slaap ik nu meer dan in de zomer – noem het een winterslaap. Ik voel dat ik daar energie van krijg. Slaaptekort? Ken ik niet. Vermoeidheid evenmin. Sinds ik in de bush woon, ben ik veel minder emotioneel, veel blijer. De wereld om je heen is mooier als je uitgerust bent. Maar als ik nét weer terug ben in de wildernis, dan moet mijn geest weer verlangzamen. Echt, de eerste 2 weken verveel ik me dood! Maar zodra ik dat natuurritme weer heb, ben ik gelukkig. Soms denk ik dat een mens zo hoort te leven, zoals Peter en ik dat doen. Zonder belerend over te willen komen, hè. De mens deed het een miljoen jaar geleden ook zo: iedereen kan dit leven omarmen. Maar luxe moet je loslaten: je moet op de grond kunnen slapen, je met koud water wassen. Fysiek is dit leven ongemakkelijk: geen zacht bed of een fijne bank. Als uiterlijk belangrijk voor je is, wordt ’t lastig. Wij hebben niet eens een spiegel bij ons. En als je een slaaf bent van internet, tv of je telefoon, kun je dit ook niet.”

‘Er gaan maanden voorbij dat Peter de enige is die ik zie. Maar we raken nooit uitgepraat’

Hutje in de natuur

“Mensen vragen zich altijd af waar Peter en ik van leven. Want nee, onze voedselvoorraad is niet gratis. En zo’n helikoptervluchtje kost ook wel een paar honderd dollar. En dan hebben we nog wat geld achter de hand, voor als een van ons naar het ziekenhuis moet of als we naar huis moeten omdat er iets met onze ouders is – als we het op tijd horen, tenminste. Zoiets is nog nooit gebeurd, maar lijkt me vreselijk. Ik moet er niet aan denken.  Ik was altijd een goede spaarder en heb genoeg spaargeld op mijn rekening, waar ik ieder jaar weinig vanaf haal. En in de bewoonde wereld zing ik graag. Ik sta dan gewoon op straat en vang genoeg om een maand van te leven. Als we kleding kopen, kopen we tweedehands. In de bergen dragen we altijd wol. Zo’n wollen legging is lekker warm en veel beter dan dat dure, synthetische spul. Wol werkt ook goed tegen de rottige, stekende mugjes hier. Ze zijn er altijd, waar je ook bent. Dus wie denkt dat wij vaak roman-tische seks in de buitenlucht hebben: nee. Of we altijd in de bergen willen blijven, weet ik niet. Tot nu toe wel. Ik zou niet meer terug willen naar de mensenwereld. Als iemand ons vraagt of we op een hutje in Fiji willen passen – ik noem maar wat – dan doen we het. Peter is een stuk ouder dan ik. Misschien houdt hij het over 5 of 10 jaar niet meer vol. Misschien verblijft hij dan wel in een hutje in de natuur en ga ik af en toe in m’n uppie de bergen in. Of we blijven samen, op 1 plek. De wildernis is een fijn thuis. Vaak genoeg besteden Peter en ik de héle middag in het bos aan besjes zoeken en eten en dan besef ik: nu ben ik op mijn gelukkigst.”

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je dan gratis in voor onze nieuwsbrief.

Tekst: Lisanne van Sadelhoff | Beeld: Jairam Petel