Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Kiki > Kiki #170: ‘Midas en ik beginnen allebei Joost te roepen en zoeken ons suf’

Kiki #170: ‘Midas en ik beginnen allebei Joost te roepen en zoeken ons suf’

Kiki #170: ‘Midas en ik beginnen allebei Joost te roepen en zoeken ons suf’

Kiki Faber (27) – inderdaad het nichtje van de welbekende Floor Faber – woont in Amsterdam, waar ze met haar grote mond, impulsiviteit en chaotische gedrag genoeg dingen meemaakt. en.

Donderdag

Een echte date kun je het niet noemen. Midas en ik hebben afgesproken om samen Joost uit te laten
en elkaar te ontmoeten voor de ingang van het park. Van ver zie ik hem al staan. Hij valt ook wel op
met zijn dreads en gele overhemd. Wanneer hij Joost en mij ziet, lacht hij een tikje scheve tanden
bloot. Eigenlijk wel sexy nu 99 procent van de mensen hetzelfde perfecte gebit hebben. We praten
over Joost, en waarom hij zo’n hekel heeft aan chihuahua’s. ‘Ik denk dat hij een trauma heeft.’

Terwijl hij uitweidt over Joosts psyche neem ik hem in me op. Hij doet zelf ook aan een hond
denken: een labradorpup die over zijn eigen benen struikelt. Maar dat komt misschien ook doordat
hij van die rare lompe schoenen aan heeft. Aan de rand van het water, onder een grote boom,
stoppen we. Uit zijn rugtas haalt hij een rood geblokt plaid en dat legt hij op de grond. Verder een
tupperwaredoos en een thermosfles. ‘De koffie is hier zo duur, ik neem het liever zelf mee,’ zegt hij
terwijl hij me een beker aan geeft. De koffie is krankzinnig sterk. Snel neem ik een aardbei, die
verrassend zacht en zoet is. ‘Die komen van mijn eigen moestuin. Nou, dat is iets overdreven, het is
een klein stukje grond naast mijn woonboot. Met een vriend heb ik de tegels weggehaald, tuinaarde
gestort en toen ben ik daar wat dingetjes gaan planten. Sperziebonen, pompoenen. Alhoewel het dit
jaar een beroerd pompoenenjaar is omdat er zoveel slakken zijn.’ ‘Maar waar woon je dan?’

Van zijn uitleg begrijp ik niets, maar wel dat zijn woonboot woont aangemeerd ligt bij een verwaarloosd bedrijventerrein. ‘Het is ideaal omdat mijn atelier er vlakbij zit. Je moet maar een keer komen kijken. En wat doe jij zoal? ’ Ik vertel hem zo hilarisch mogelijk hoe ik bij de klantenservice op staande voet ontslag nam en laat hem dan het dancenummer horen dat ik heb ingezongen. Met grote ogen kijkt hij me aan. ‘Dus die stem ben jij. Je hebt talent, zeg.’

‘De producer is ook heel goed,’ zeg ik verlegen. Vervolgens praten we over muziek, Heleen en wat hij
leert op de kunstacademie. We hebben elkaar zoveel te vertellen. Dan valt me ineens op dat ik Joost
al een tijd niet heb gezien. Geschrokken kijken we elkaar aan. ‘Heleen overleeft het niet als Joost
weg is.’ Onmiddellijk beginnen we allebei zijn naam te roepen. Dan spreken we af dat we allebei een
andere kant uitlopen om hem te zoeken. Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik om me heen kijk.
Misschien heeft iemand Joost meegenomen, misschien is hij zelf naar huis gelopen. Grote kans dat
hij dan onder een auto komt, want van uitkijken heeft hij nog nooit gehoord. En straks moet ik ook
nog naar mijn werk. Zal ik Nico bellen dat ik later kom? Dat gaat hij zeker niet leuk vinden en ik zit
nog in mijn proefperiode. Is dat Joost? Keihard ren ik op een klein hondje af, maar het is hem niet.