Je bent hier: Home > Column > Column Miljuschka: ‘Eten is mijn medicijn en ik vrees ook mijn verslaving’

Column Miljuschka: ‘Eten is mijn medicijn en ik vrees ook mijn verslaving’

Column
Column Miljuschka: ‘Eten is mijn medicijn en ik vrees ook mijn verslaving’

Miljuschka Witzenhausen (33) is tv-kok, presentatrice en culinair blogger. Ze woont samen met Philip en heeft twee kinderen, Rembrandt (8) en Felina (6), uit haar huwelijk met kunstenaar Tycho Veldhoen. Elke week schrijft ze in Flair over haar rollercoasterleven.

“Afvallen en diëten, ik heb er echt een pleurishekel aan. Mijn vreugde zit in eten. En dat begint al bij het ontbijt. Voor iedereen maak ik iets anders. Yoghurt met granola voor Philip, havermout voor Felina en gebakken eieren met spek op toast voor Rembrandt. Hoewel ik voor mijn gevoel het ontbijt oversla, snoep ik van alles een beetje mee. Ach, het leven is een toneel en je moet zelf het script schrijven.

‘Parkeren in het centrum kost inmiddels net zo veel als 2 belegde broodjes’

Daarna zie ik wel waar de dag me brengt, maar mijn vaste kompas is eten. Sommige plekken kan ik niet voorbijrijden zonder dat ene lekkers te ­scoren. Ben ik in het centrum van Amsterdam, dan eet ik tussendoor even een slagroomijsje van Van der Linde. De ene helft is slagroom, de andere is ijs van slagroom. Als je er dan toch bent, kun je net zo goed de hazelnootschuimtaart, mergpijpjes en amandelkoeken meenemen. Want hoe vaak kom je tegenwoordig nog in het ­centrum? Waar parkeren inmiddels net zo veel kost als 2 belegde broodjes en het wemelt van de toeristen.

De terugweg naar huis is altijd gevaarlijk, want die kan zomaar via Amstelveen lopen en dan kom je door Buitenveldert. Daar moest je dan tot voor kort langs Sal Meyer, een joodse broodjeszaak die vroeger in de Scheldestraat zat waar ik ben opgegroeid. Ik bestelde een broodje halfom, ossenworst en kroket. Inpakken en wegwezen. Opeten tijdens het rijden.

 ‘Je zou kunnen zeggen dat eten mijn medicijn is en ik vrees ook mijn verslaving’

Zo heeft elk stadsdeel in Amsterdam zijn gevaren. Ik noem Roopram in Oost voor de lekkerste roti, ijs van Massimo Gelato in De Pijp, taco’s van Taqueria Coba in Noord. Zo kan ik nog wel even doorgaan, en dan laat ik andere dorpen en steden nog buiten beschouwing. Oké, eentje dan, in Brabant: de bolussen van Robèrt van Beckhoven. Kleverig, goedgevuld en met veel vanille. Het water loopt me nu al weer in de mond. Als ik een K-dag heb, laat ik alles vallen en rijd ik 5 kwartier naar Oisterwijk om me er daar tegoed aan te doen. Het mooie is dat ik me daarna écht beter voel.

Je zou dus kunnen zeggen dat eten mijn medicijn is en ik vrees ook mijn verslaving. Het kwam dan ook hard aan toen deze week 6 mensen afzonderlijk van elkaar over mijn lijn begonnen. Voorzichtig kaartten ze mijn onderkin aan, die op tv nu wel heel zichtbaar werd. Ik ging iets kritischer naar mezelf kijken en zag tot mijn grote schrik dat mijn armen aan de bovenkant extra vleugels hebben gekregen, en mijn billen aan elke kant een extra fietstas. Helaas moet ik die 6 mensen dus gelijk geven.

Lees ook
Column Miljuschka: ‘Ik heb een heerlijke jeugd bij mijn moeder gehad’

Dat doet pijn. Want ik moet al het voorgaande vermijden, of in elk geval maat proberen te houden. Daarnaast moet ik gaan trainen, wat ik net zo haat als quinoa-gelukzalig-kijkende-fitgirls. Desalniettemin ga ik ervoor. Zodat ik daarna van voren af aan kan beginnen en volgend jaar weer stampvoetend voor de sportschool sta.”

Deze column van Miljuschka komt uit Flair 17. Deze editie ligt nu in de winkels. Wil je ‘m liever laten bezorgen? Bestellen kan hier.

Shoppen is altijd een goed idee