Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Celebs > Laura Jansen (44): ‘Naïef misschien, maar ik dacht dat we een verschil konden maken’

Laura Jansen (44): ‘Naïef misschien, maar ik dacht dat we een verschil konden maken’

Laura Jansen (44): ‘Naïef misschien, maar ik dacht dat we een verschil konden maken’

De Amerikaans-Nederlandse zangeres Laura Jansen (44) werkte bijna drie jaar in de vluchtelingenkampen op Lesbos. Ze schreef er het boek Wij zagen een licht over en maakte een album, We saw a light. Nu staat ze in het theater om die verhalen te vertellen. “Het is verre van een protest, het is vooral een voorstelling over hoop.”

Als we bellen, Laura woont in Berlijn, is ze net verhuisd. Ze had het geluk om een appartement te vinden in een leuke buurt, want wat betreft woningnood doet Berlijn niet onder voor Amsterdam, zegt ze.

“We hebben echt heel veel huizen gezien en nu eindelijk een soort uitadem-huis gevonden. Het is niet hét droomhuis, maar we zitten hier goed en kunnen rustig verder kijken.” Dat uitadem-huis staat in Schöneberg, de wijk waar vroeger de kunstenaars zaten. “Het is een mix tussen een creatieve en een tikje ouderwetse sfeer.”

Laura’s carrière loopt misschien niet zoals je die van een zangeres zou verwachten. Ze woonde en studeerde in Nederland en Amerika en streek uiteindelijk als dertiger in Los Angeles neer. Overdag werkte ze als serveerster – “Ik had een studieschuld die ik moest aflossen” – en ’s avonds trad ze op in allerlei clubs.

Door haar neef, hij pushte haar om haar werk naar producer John Ewbank te sturen, een vriend van hem, kwam ze weer in Nederland terecht. “Ik twijfelde, dacht niet dat hij het wat zou vinden, maar al snel belde hij en vroeg me of ik naar Nederland kon komen.” Daarna ging het snel, haar album Bells behaalde platina. Ze trad op in binnen- en buitenland en ging uiteindelijk een jaar op tournee met Armin van Buuren, die een remix van het nummer Use somebody had gemaakt.

Na die tour nam je uiteindelijk een heel andere afslag.

“Ik kwam doodmoe thuis. Die tour was zowel leerzaam als overweldigend. Het is een opeenstapeling van adrenalinekicks. In Mexico stonden we voor een uitzinnige menigte van tienduizenden mensen. Ik was destijds ook gevraagd als ambassadeur van Oxfam Novib en kwam daardoor bij projecten in sloppenwijken terecht. Aan de ene kant waren er feestjes met champagne, aan de andere kant stond ik tegenover mensen die helemaal niks hadden. Als ambassadeur ben je maar een paar uur op zo’n plek, dat frustreerde me, ik wilde meer doen.”

Was dat de reden waarom je naar het Griekse Lesbos bent gegaan, om daar te helpen bij de vluchtelingencrisis?

“Eerst had ik geholpen met vluchtelingen opvangen die op het Centraal Station in Amsterdam waren gestrand. Elke avond ging ik er samen met anderen met tassen eten naartoe. Een vriend vroeg of ik mee wilde naar Lesbos. Naïef misschien, maar ik dacht dat we een verschil konden maken. Maar het probleem daar was enorm groot. Er was geen structuur, kamp Moria was vreselijk, het was één grote chaos.

Mensen die met boten op het strand aankwamen waren totaal ontredderd. Ze waren bang, doorweekt, hadden het koud, waren gewond of hadden de overtocht niet overleefd. We zouden tien dagen blijven, het werd bijna drie jaar. Ik was betrokken bij de oprichting van Movement on the Ground, een ngo die met andere organisaties samen het kamp Kara Tepe heeft opgebouwd.”

Waarom ben je uiteindelijk weggegaan?

“Ik had al die tijd alleen maar gewerkt, soms twintig uur per dag. Ik was moe, werd ziek, had nachtmerries; ik was helemaal op. Ik stond in een soort overlevingsstand, er was geen tijd om te reflecteren en ik nam amper de tijd om uit te rusten. Uiteindelijk heeft mijn toenmalige vriend, een Spaanse brandweerman, me van het eiland gehaald en me mee naar Spanje genomen.

Dat was mindblowing in veel opzichten. Er was rust, mensen liepen gewoon op straat, genoten van de zon op een terras, terwijl ik mega onrustig was. Ik kon mezelf amper ‘stopzetten’. Dat was het moment waarop ik dacht: waar ben ik mee bezig? Dit is niet gezond, ik moet voor mezelf gaan zorgen. Dat ben ik gaan doen. Ik ging naar Berlijn en heb daar een jaar in bed gelegen. Daarna ben ik mijn ervaringen gaan opschrijven en kwam er weer ruimte om muziek te maken.”

Hoe was dat om vanuit de totale gekte en drukte in Berlijn te zijn?

“De eerste maanden liep ik er als een zombie rond. Naar de supermarkt gaan was al te veel. Er was zo veel keuze. En alle kinderen zagen er zo gezond uit. Die twee werelden, Lesbos en Berlijn, waren totaal niet verenigbaar.”

Waarom ben je naar Berlijn gegaan?

“Ik heb Berlijn altijd een heel fijne stad gevonden. Ik heb er vaak opgetreden. Mijn beste vriend, mijn drummer Wouter, woont er en ik was vaak bij hem om liedjes te schrijven. Maar ik wilde vooral naar een anonieme plek. Ik was als de dood om in Amsterdam iemand tegen te komen. Dat ik daar als een wrak zou rondlopen en iemand die mij kende of herkende zou vragen: ‘Wanneer komt er nieuwe muziek?’ Of: ‘Wat heb jij de laatste paar jaar gedaan?’ Ik was me echt aan het verstoppen, als mijn manager belde, nam ik niet eens meer op.”

Lees ook:
Janny van der Heijden (67): ‘Ik ga nog wel even door, ik vind het allemaal veel te leuk’

Hoe ben je uiteindelijk toch weer muziek gaan maken?

“Na een jaar zei mijn producer Ed: ‘Kom gewoon een weekje naar Londen en dan gaan we kijken of we in de studio gaan of niet. Of je komt alleen maar wijn drinken en met mijn kinderen spelen.’ Die vrijheid had ik nodig. We zijn gaan schrijven, maar er kwam zo veel boven. Ik lag huilend op de grond.

Toen ik terugging naar Berlijn, wilde ik eerst een boek schrijven, en dat duurde ook best lang. Uiteindelijk kwamen de liedjes toch eerst. Het mooie was dat er geen drang achter zat. Eerder moest het een hit worden of radiovriendelijk zijn, maar dat speelde nu geen rol. Er kwam een soort rust, ik kreeg weer zin in muziek maken. Dat kwam ook omdat het met mij beter ging. Ik had therapie, EMDR, ik mediteerde, had geen paniekaanvallen meer en ik werd hartstikke verliefd op Felix, dat hielp ook.”

Is Felix jouw veilige haven?

“Ja. En daar was ik al mijn hele leven naar op zoek. Sinds ik hem ken, is mijn leven heel simpel, heel kalm. Ik ben zo dank-baar voor hem. We werden aan elkaar voorgesteld via vrienden en ik vond hem meteen leuk. Felix kijkt op een andere manier naar de wereld. Hij heeft een stabiele jeugd gehad, maar kent ook het tussen twee culturen zitten, hij is half Duits en half Engels, en heeft een intrinsieke rust. Thuis heeft met hem een nieuwe betekenis voor mij. Ik vind het fijn om thuis te zijn, om in huis bezig te zijn, om voor Felix te zorgen. En om mijn, en ons leven, simpel te houden. Ik ben een echte huiskat.”

Lees het hele interview met Laura Jansen in Flair 47-2021, deze ligt van 24 t/m 30 november in de winkels. Wil je ‘m liever laten bezorgen? Bestellen kan hier.

tekst Saskia Smith | fotografie Judith Pronk