Je bent hier: Home > Celebs > Carolien Borgers: ‘Monogamie is het niet voor mij’

Carolien Borgers: ‘Monogamie is het niet voor mij’

Celebs
Carolien Borgers: ‘Monogamie is het niet voor mij’

Ze is grappig en getalenteerd, heeft een jaloersmakende bos krullen en is ook nog eens heel aardig. Welke rafelrandjes heeft cabaretier, zangeres en radio- en tv-maker Carolien Borgers (35)? 
We onderzoeken het 
aan de hand van de zeven zonden.

Lees ook: Saar Koningsberger: ‘Tijn en ik zeiden meteen: we willen een tweede’

1. Hoogmoed

‘Wil je jezelf in de schijnwerpers plaatsen, dan moet je een zekere blinde vlek 
hebben voor alle dingen die je niet zo goed kunt. Als je je te bewust wordt van je feilbaarheid en je kwetsbaarheid, ga je nooit dat podium op. Zeker in het begin van mijn ‘carrière’ – een rotwoord, vind 
ik – had ik een grote blinde vlek voor mijn tekortkomingen. Ik was 21, kwam net van de toneelschool en had het idee dat alles kon en dat alles binnen de mogelijkheden lag. Dat is ook wat mijn generatie heel 
erg heeft meegekregen. Ik ben geboren 
in 1983 en opgegroeid met een soort maakbaarheidsidee. Een beetje American Dream-achtig: als je maar hard genoeg je best doet en je hele hebben en houwen opzijzet voor je dromen, kun je alles bereiken wat je wilt. Waanzin natuurlijk, maar ik dacht inderdaad dat ik alles kon worden, ook striptekenaar als ik dat had gewild. Het besef dat je het leven niet kunt orkestreren en regisseren zoals jij dat wilt, kwam drie jaar geleden met het ziekbed en overlijden van mijn vader. Hij heeft mijn zus en mij opgevoed met het idee dat ziektes je bespaard blijven als je niet rookt, sport en gezond leeft. Mijn vader heeft nooit een sigaret aangeraakt, sportte drie keer per week, heeft nooit alcohol gedronken en kreeg toch de ergste vorm van kanker die denkbaar is. Een snelle, progressieve vorm die begon met kiespijn. Vervolgens kreeg hij longkanker en een hersentumor en kwam de kanker in het vocht van ruggenmerg. Ik ben daardoor anders gaan kijken naar wat hij me had geleerd. Nog steeds geloof ik in empathisch leven en je best doen, maar ik denk niet meer dat je wordt beloond als je op een bepaalde manier iets goed doet. Dat magische denken is weg en misschien is dat wel goed. Het is vermoeiend om jezelf alsmaar als middelpunt van je bestaan te zien. Ik laat de verantwoordelijkheid nu meer bij het leven en wat dat met zich meebrengt. Dat is best prettig.’

2. Woede

‘Ik heb veel woede in me en ben héél snel geïrriteerd. Een voorbeeld: ik woon in Amsterdam, waar ik een appartement huur op de begane grond met mensen boven me, mensen links van me en mensen rechts van me. Ze maken állemaal te veel geluid. Dat doen ze niet echt: ze leven gewoon, maar het reflecteert op mij. Ik loop op 
mijn tenen in huis om geen overlast te 
veroorzaken en zij zetten gerust de 
televisie te hard. Soms sta ik te gillen in de 
woonkamer: ‘Móét dit?’ Ik kan eigenlijk ook niet in een vliegtuig zitten. Al dat kuchen, 
trappen, bewegen, ademen. Niet te doen. In het verkeer heb ik het ook. Ik kan er niet tegen als mensen niet kunnen rijden of te lang wachten bij het stoplicht. Wat heel 
vervelend is voor mensen die naast me 
zitten, want dan druk ik meteen op de 
toeter. Een vreselijke eigenschap, ik weet het. Ook voor mezelf, want ik krop al die ergernissen op, waardoor ik ’s nachts 
knarsetandend van frustratie in bed lig. Misschien ben ik eigenlijk woedend op 
veel grotere dingen waar ik niets aan kan 
veranderen, en maak ik me in plaats daarvan druk om kuchende mensen. Die grotere dingen gaan veel meer over hoe mensen met elkaar omgaan en vooral 
over het besef hoe goed wij het hebben. Met ‘wij’ bedoel ik de westerse wereld: 
hoe wij hier met z’n allen leven en lekker op een terras zitten. We hebben het zo 
fijn, maar ondertussen zijn we alsmaar 
verongelijkt en bozig. Daar word ik heel kwaad van, maar dat kan ik niet goed uiten. Ik kan moeilijk op elk terras schreeuwen: ‘Wees verdomme dankbaar!’ Dan zou ik weinig vrienden overhouden, haha. Ik maak sowieso nooit ruzie. Vroeger thuis had ik weleens ruzie met mijn zus, zoals zussen dat doen. Toen ik merkte dat het niet het gewenste effect had als ik heel boos 
op haar werd, heb ik een soort passief-
agressief onderkoeld gedrag ontwikkeld: ‘O ja? O ja?’ Dan wordt de ander woedend en gaat-ie schreeuwen, terwijl ik mijn stem niet verhef. Voor mij werkt dat nog steeds heel goed.’

3. Gierigheid

‘Ik ben heel zuinig opgevoed, met een vader die elk dubbeltje omdraaide. Hij had een zeer arme jeugd, vlak na de Tweede Wereldoorlog, met een vader die was 
weggegaan, een moeder die geen werk had en drie kinderen die hij moest onderhouden. Die ervaringen heeft hij de rest van z’n leven met zich meegedragen. Hij verdiende heel aardig met z’n bedrijf in automatisering, maar dat basale instinct om zuinig te zijn en dat als een vorm van dankbaarheid te zien, dat zat erin en bleef erin. Mijn zus en ik hebben dat met de paplepel ingegoten gekregen. Niet om zielig te doen, maar ik heb nooit een nieuwe fiets gehad. Alles moest altijd verzameld worden op straat om daarna in elkaar gezet te worden. Tot mijn zestiende moest ik mezelf voordoen als een twaalfjarige om gratis musea binnen te komen. Ik denk dat ik tot mijn vijftiende nooit een eigen gerecht heb besteld en als we een Magnum aten, deelden we die in vieren. Tot ongeveer acht jaar geleden wist ik niet beter dan dat ik altijd overal het goedkoopste van de kaart bestelde. Niet wat ik het lekkerste vond, maar wat het minste kostte. Dat was altijd kipsaté; ik heb heel veel kipsaté gegeten. Ging ik op vakantie, dan was dat altijd een vlucht 
met drie tussenstops. Dat was dan het goedkoopst, maar achteraf bezien woog de stress van die tussenstops natuurlijk nooit op tegen de tweehonderd euro die je extra betaalt voor een rechtstreekse vlucht. 
Voor mijn vader voelde het, denk ik, als kleine overwinningen als hij iets voor 
minder of gratis kon krijgen: ha, ik heb gewonnen van de wereld! Ik ben de wereld die mijn geld wil te slim af geweest! Misschien was dat ook wel zo, maar vanaf mijn 25e ben ik steeds meer gaan beseffen hoe vermoeiend die manier van leven is. 
De laatste jaren probeer ik bewust wat meer te genieten en spenden, al vinden vrienden nog steeds dat ik heel spartaans leef. Ik geef vrijwel nooit geld uit aan m’n interieur of aan kleding, maar ik gun mezelf nu wel de luxe van een dure kapper. Soms lukt het me zélfs om het duurste van de menukaart te bestellen, ha!’

Lees de rest van Caroliens zonden in Flair, editie 34. Nu in de winkel. Wil je ‘m liever laten bezorgen? Bestellen kan hier.

Interview: Fleur Baxmeier | Fotografie: Marloes Bosch

Shoppen is altijd een goed idee