Je bent hier: Home > Celebs > Actrice Rosa da Silva: ‘Ik voelde me 
in de stad vaak een boerin’

Actrice Rosa da Silva: ‘Ik voelde me 
in de stad vaak een boerin’

Celebs
Actrice Rosa da Silva: ‘Ik voelde me 
in de stad vaak een boerin’

Binnenkort is actrice Rosa da Silva (31) te zien in Het Pauperparadijs, over twee Amsterdamse wezen die naar een gesticht in Drenthe worden gestuurd. Zelf ging ze juist ooit van Klazienaveen naar Amsterdam. ‘Ik ben best zoekende geweest.’

Lees ook: Zangeres Giovanca: ‘Muziek was het eerste wat op mijn levenspad kwam’

Blauwe trui met roze stippen, loshangende lokken, brede lach op haar gezicht. Anders dan de zware, diepgaande toneelrollen waar het grote publiek haar van kent (Anne, De Tweeling), is Rosa da Silva een vrolijke, bijna springerige verschijning. 
‘Ik vind niets leuker dan dat mensen om me moeten lachen en naar mijn verhalen luisteren,’ vertelt ze als ze – eindelijk – 
even rustig op haar gat aan een tafeltje zit.
 ‘Ik denk weleens: als ik dat niet had gehad, wat was het dan rústig geweest in mijn hoofd.’ Voorlopig is er geen sprake van die rust, want van 4 tot en met 29 juli is Rosa 
te zien in Het Pauperparadijs in Carré. 
Rosa speelt Aagje, het verstandelijk beperkte zusje van hoofdpersoon Teunis. Omdat hun ouders te arm zijn om voor ze te zorgen, worden ze vanuit Amsterdam naar een gesticht in Drenthe gestuurd. Daar wordt Teunis verliefd op Cato, een bewakersdochter, maar hun verboden liefde stuit op veel tegenwerking. En dan 
is er ook nog de zorg voor zijn zusje.

Is Aagje een moeilijke rol om te spelen?
‘Ik wil niet het clichébeeld van een zwakbegaafde laten zien en heb dus erg gezocht naar een manier waarop ik Aagje geloofwaardig kan neerzetten. Dat heb ik samen met Myrthe Burger gedaan, met wie ik de rol vorig jaar al deelde. Zij nam me bij de hand, onwijs lief, en legde alles uit. We hebben het echt samen gedaan, want ik inspireerde haar ook. Net als vorig jaar in Veenhuizen, waar Het Pauperparadijs toen te zien was, spelen we elke week de helft van de voorstellingen.’

Heb jij je weleens een pauper gevoeld?
Lachend: ‘O, zéker wel.’

Vertel.
‘Pauper is niet helemaal het goede woord, maar ik heb me vaak een boerin gevoeld. Dat heeft er denk ik mee te maken dat ik uit Klazienaveen kom.’ Rosa zet een boerse stem op met veel ingeslikte lettergrepen: ‘Wat, ja, mooi, ja, om hier te weesn. Mijn vrienden van de toneelschool hebben 
weleens gezegd dat ik een beetje een provinciaal was toen ik net in Amsterdam woonde. Ik droeg van die wijde jeans met strakke topjes en neonkleurige 
armbandjes, weet je wel? Dan voel je je wel een beetje eh, anders. Ik ging ook heel erg kijken naar hoe andere meiden in de stad zich kleedden. Vintage vond ik heel cool. 
Of geen make-up dragen, behalve rode lippenstift. Ik ben best zoekende geweest, maar dat was eigenlijk alleen maar leuk.’

Je vader komt uit Portugal. Merkte je daar thuis in Drenthe iets van?
‘Heel erg. Mijn vader vertrok in de jaren zeventig vanuit Portugal en ontmoette mijn moeder in Parijs. Daarna hebben ze best lang apart van elkaar gewoond, tot mijn moeder op een gegeven moment zei: ‘Ik wil naar huis, naar Nederland, een winkel beginnen.’ Mijn moeder kwam uit een gezin van veertien kinderen, allemaal ondernemers met een eigen winkel. Dat wilde zij ook. Mijn vader had een keer een zak schoenen uit Portugal meegenomen. Die verkocht hij in no-time in de winkel van mijn oom, dus de winkel werd een schoenenwinkel. Uiteindelijk werden dat vier schoenenwinkels. Elk jaar gingen we drie of vier keer naar Portugal om de familie op te zoeken. Je voelde meteen: wij horen bij elkaar. In Nederland heb ik dat ook wel gehad, maar dat voelt toch anders.’

Je moeder overleed een aantal jaar geleden. Is die familieband sindsdien veranderd?
‘Ja. Vroeger wist mijn vader hoe het met me ging omdat ik met mijn moeder had gebeld. Nu moest ik ineens mijn vader bellen. Dat was in het begin wennen; dat is toch anders dan met je moeder kletsen. Samen met mijn zus en broertje hebben we opnieuw moeten uitvinden hoe wij als familie met elkaar zijn. Zoiets duurt gewoon even.’

Heb je haar verlies kunnen verwerken?
‘Het was deze maand drie jaar geleden dat ze is overleden, na een heel kort ziekbed. Het ingrijpendste en verschrikkelijkste wat ik ooit heb meegemaakt. Ik ben er nog steeds veel mee bezig, maar dat is normaal. Een stylist die ook haar moeder kwijt is, zei laatst tegen me: ‘De pijn wordt niet minder, maar zachter.’ Nu, in dit gesprek, kan ik erover praten, maar er zijn ook dagen dat ik ontroostbaar ben en even twee uur moet huilen. Het blijft zo’n abstract gevoel dat je moeder er niet meer is. Ons ouderlijk huis in Klazienaveen is ook niet hetzelfde zonder haar. Zij was de ziel van het huis. Die is er niet meer. Dan denk je ineens: wat een gek huis is dit eigenlijk.’

Wat voor kind was jij?
‘Ik werd niet gepest en had vrij veel vriendinnen, maar volgens mij was ik ook een moraalridder. Iemand van de middelbare school zei laatst tegen me: ‘Jij wist altijd hoe het moest en hoe het zat.’ Ik kon ook slecht tegen jongens die meisjes gingen slaan; dan sprong ik ertussen. Ik was een pittige tante, een beetje kattig en een betweter.’

Zit die kant er nog steeds in?
Lachend: ‘Minder. Hoop ik.’

Hoe werden je ambities ontvangen in nuchter Drenthe?
‘Je hebt altijd een categorie mensen die denken: god, zij vindt dat ze beter is dan de rest. Maar de meesten vonden het gewoon leuk. Als ik nu in Klazienaveen ben, krijg ik alleen maar positieve reacties. Laatst kwam ik op straat de vrouw van de slager tegen. Zij werd helemaal wild toen ze me zag: ‘Ik volg je, geweldig wat je allemaal doet, ik weet nog dat jij altijd vier hamburgers speciaal bij me kwam bestellen.’ Eerst was ik dat wichie van de schoenenwinkel, later werd ik dat wichie van de Mini-playbackshow en nu ben ik dat wichie van Anne Frank.’

Lees het hele interview in de Flair editie 26. Nu in de winkel. 

Interview en productie: Fleur Baxmeier Fotografie Esmee Franken

Shoppen is altijd een goed idee